Fantasie als redding

Soms denk je: was het maar andersom, het leven, zoals het is in Martin Amis' Times Arrow of, veel leuker, in Jan Hanlo's gedicht `Wij komen ter wereld'. Nooit zou er meer iemand onverwacht doodgaan. Sommige mensen zouden onverwacht te voorschijn komen uit een verkreukelde auto, of opstaan van de cafévloer waar zich al mensen om hen heen verzameld hebben die zich verspreiden als ze zich oprichten: ,,de dode ontwaakt hier,/ geneest van zijn kwalen en vindt er zijn krachten,/ aanvaardt er in ernst en in wijsheid de toekomst.''

Maar zo is het niet. Het is zo dat iemand ineens opgebeld kan worden met de mededeling die het meest gevreesd wordt van alle: dat degene die er kort te voren nog was, die op de gebruikelijke achteloze wijze het huis verliet, die zei `tot straks' of `ik ben niet laat thuis' — dat die er nu niet meer is. Of dat die er binnenkort niet meer zal zijn, omdat het eigen lichaam zich tegen hem of haar gekeerd heeft. De onlangs overleden hoogleraar Wim Bronzwaer, Herman de Coninck, Meindert Tjoelker, de twee meisjes uit Gorinchem en al die anderen die niet in het nieuws komen maar die zomaar ineens getroffen worden door een ramp. Ineens vallen ze in een ravijn en zijn ze weg, zakken ze in elkaar met een hartaanval, blijken ze een tumor te hebben of een vreselijke ziekte en alles wat gewoon en vanzelfsprekend leek, verkruimelt. ,,En zo zal het gebeuren'' dichtte Hans Faverey, ,,dat het je ontgaat hoe de centaur eerst/ zijn hoeven schraapt voor hij naar je/ toe komt, en in je veilige huis alles/ kort en klein schopt en slaat.'' Huis niet veilig, straat niet veilig, wereld niet veilig. Allemaal kunnen we ineens veranderen in Job op zijn mestvaalt, zomaar, omdat God een weddenschapje deed, omdat het lot zich onverschillig voltrekt, omdat `die dingen nu eenmaal gebeuren'.

,,Wat ons beschermt is ons gebrek aan voorstellingsvermogen'', zei Martin Amis eens in een interview in deze krant. Laatst hoorde ik iemand zich afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was dat hij, wetend dat `die dingen' konden gebeuren, toch elke dag zo zorgeloos leefde. Hoe hij daartoe in staat was. Is dat een — gelukkig — gebrek aan verbeeldingskracht? De eenvoudigste dingen zijn immers al onvoorstelbaar: de hoofdpijn van gisteren, dat je 's zomers echt in zo'n dunne jurk naar buiten kunt, verliefdheid als die niet aan de hand is, dat je gisteren werkelijk trek had in een borrel terwijl nú... — men vraagt zich wel eens af of voorstellingsvermogen überhaupt bestaat.

Maar aan de andere kant schiet de verbeelding soms niets in kracht te kort en zitten de fantasten onder ons van tijd tot tijd met tranen in de ogen uit het raam te staren omdat ze zich al op de begrafenis wanen van iemand die nietsvermoedend in een ander huis staat af te wassen. Ook elke ongerust wachtende kan zich moeiteloos de vreselijkste dingen voorstellen — aan het vermogen om de dingen in ons hoofd te laten gebeuren schort dan niets. Maar wat werkelijk onvoorstelbaar is, is de tijd, de duur. Iemand die er niet meer is, is niet het meest weg op het moment van de schok, die is het meest weg in de eindeloze dagen, weken, jaren daarna. Misschien is verveling, een lege middag met niets te gebeuren en niets te verwachten, nog de beste voorstelling van hoe het zal zijn ná het scheurende van het verdriet.

En waarom zou je je ook zulke dingen willen voorstellen? In de hoop voorbereid te zijn wellicht, zodat je sterk zult kunnen zijn. Nu vast in ellende leven om wat ooit, misschien, zal gebeuren lijkt niet erg zinvol, maar als je er de overtuiging mee zou kunnen verwerven dat je, op een of andere manier, stevig genoeg zal staan, dat er iets zal zijn om tegenover de slag van het noodlot te stellen, dan is het wel de moeite waard. Hugo Claus schreef eens een gedicht waarin hij zijn geliefde vast toespreekt over hoe ze zich moet gedragen ,,Als dan het koperen keteltje vol as/ van wat ik was wordt leeggeschud''. Ze moet niet met uitgelopen mascara staan snikken, ze moet denken aan hoe het was `in onze tijd van verlangen', aan hem toen hij nog leefde:

En lach om wat ik was, onder meer

het gesnurk in de bioscoop,

de onderbroek die steeds afzakte,

de debiele grap en de logge loop

naar jou keer op keer

toen ik je nu warme weelde pakte.

Hij heeft gelijk, de kunst is om aan het leven te denken — maar die laatste strofe (en vooral de woorden: `de logge loop naar jou keer op keer') maakt het zelfs voor wie het alleen maar leest al moeilijk om niet te missen `wat ik was'.

Misschien heeft Amis gelijk, en worden we gered van een niet aflatende wanhoop door ons gebrek aan voorstellingsvermogen. Of door ons verstand dat soms ingrijpt, de verbeelding een halt toeroept en onze aandacht richt op het hier en nu, waarin, vooralsnog, de naasten gewoon in de tram zitten of op hun werk aan de telefoon, waarin ze, zonder tegenbericht, aan het eind van de dag weer gewoon de deur opendoen en waarin wijzelf dus ons hoofd vrij hebben voor wat de wereld zoal van ons wil.

Toch is voorstellingsvermogen niet in de eerste plaats een plaag waar je maar beter zo min mogelijk last van kunt hebben. Zonder het vermogen om ons voor te stellen hoe iets is, of zal zijn, hoe iets voelt voor iemand anders, hoe een leven eruit ziet waaruit iemand plotsklaps is verdwenen — hoe gebrekkig en tekortschietend die voorstellingen ook zijn — zou het leven wel een stuk armetieriger worden. Het is woekeren met dat miezerige beetje verbeelding en inlevingskracht, maar het is het vlot waarop we drijven.

En voorstellingsvermogen geeft in ieder geval de mogelijkheid om andermans verbeeldingen te volgen: ,,Voor 't leren vergéten, zorgen de scholen./ Zij brengen de blanke, rustige plaatsen/ in onze gedachten, zij leren ons lachen''. Zo'n gedichte verbeelding helpt misschien wel om rustige plaatsen in de gedachten te krijgen. En om het lachen niet te verleren nu we de verkeerde kant op leven, de kant waar een ramp nooit meer ongedaan gemaakt kan worden. Behalve in de verbeelding.