Botte slagers of onsterfelijke goden

Een beschilderd kamerscherm herinnert mij aan Moctezuma, keizer der Azteken. Het is het sluitstuk van de tentoonstelling `Schittering van Spanje'. Het wil de bezoeker er wellicht op attenderen dat de weelde die hij heeft mogen aanschouwen door goud en zilveraders elders in de wereld werd gevoed. Want het kamerscherm verbeeldt het paleis dat de volgelingen van de conquistador Hernán Cortés bouwden op de ruïnes van het Azteekse keizerrijk, in Mexicostad, als symbool van de overwinning. De tentoonstelling weerspiegelt de katholieke arrogantie van de macht waartegen de Lage Landen rebelleerden.

Maar de werkelijkheid die Mexico bedreigde was grimmiger. Voor de Azteken waren de Spanjaarden wezens van een andere planeet. Geen aardverschuiving, geen natuurramp kon angstaanjagender zijn dan deze naderende en onkwetsbare parade van in ijzer gehulde krijgers. Ze waren op de oostkust geland en trokken op naar de hoofdstad van het Azteekse rijk. Koeriers meldden Moctezuma dat het onsterfelijke goden waren die op onstuimige beesten reden, onheilspellend groot en wreed, en de bliksem uit hun hand slingerden en de aarde deden daveren. Anderen beweerden dat het monsters waren, van de bodem van de zee geschept, slaven van genot, dorstend naar goud en zo begerig dat ze zonder moeite tien van zijn onderdanen verslonden.

Met kostbare geschenken gepaard gaande verzoeken om terug te keren naar de kust en de Azteken in vrede te laten, vonden geen gehoor. Tovenaars die de vreemdelingen met listen en kunsten tegemoet gingen, bleken machteloos. Hinderlagen misten effect. En steeds nader kwam de in het zonlicht schitterende karavaan.

Opgesloten in zijn paleis aarzelde Moctezuma of hij tegen de goden zou opstaan en de geschiedenis naar zijn hand zou zetten of in het noodlot diende te berusten.

Hij besloot een acteur vooruit te sturen, een namaakkeizer, om te zien of de vreemdelingen als slagers of als goden zouden reageren. Maar die werd ontmaskerd. ,,Ga naar huis'', hoonden de Spanjaarden, ,,waarom lieg je ons voor? Voor wie houd je ons? Je kunt ons niet bij de neus nemen, noch bedriegen, noch vleien, noch zand in de ogen strooien, noch bedotten, noch misleiden, noch naar huis sturen, noch vernietigen, noch verblinden, noch drek in de ogen wrijven. Je bent het niet!''

En zelfverzekerd vervolgden ze: ,,Nu kan Moctezuma zich niet langer voor ons verbergen. Hij kan niet ontkomen. Want waar kan hij heen? Is hij soms een vogel, dat hij kan wegvliegen?''

Ze trokken de vallei van Mexico binnen, daalden de berghellingen af en naderden de hoofdstad met slaande trom en wapperende vaandels. De paarden briesten en hinnikten, het schuim stond ze op de mond en zweet liep langs hun flanken. Honden draafden vooruit. Musketiers vuurden in de lucht, de stank van zwavel deed de ogen tranen en rook dreef over de hoofden weg. ,,Wie ter wereld had ooit gedurfd, wat wij waagden?'', schrijft Bernal Díaz, chroniqueur van de expeditie.

Hernán Cortés was de eerste sterveling die Moctezuma in de ogen keek. Niemand had dat ooit gewaagd. Iedereen sloeg de ogen neer in de nabijheid van de keizer. Hij had geen lichaam. Hij was een god. Hij werd door edellieden en vazallen gedragen in een koets met een baldakijn boven zijn hoofd. Waar hij ging, werd zijn weg met palmtwijgen geveegd. En toen hij uitstapte om Cortés te begroeten, legde men kleden voor hem neer, zodat zijn doorluchtige, in gouden sandalen geschoeide voeten, de aarde niet zouden raken.

Op een historisch moment stonden de geharnaste ridder en de gevederde indiaan tegenover elkaar als de belichaming van de Renaissance en het uit de droom ontwakende Amerika.

,,Bent u het? Bent u het werkelijk? Bent u Moctezuma?''

,,Ja, ik ben het.''

De zon stond naar men zegt even stil en aarzelde zijn weg langs de hemel te vervolgen.

Op het kamerscherm zie ik de Spaanse onderkoning vanaf het balkon uitkijken over het plein voor zijn paleis. Koetsen passeren, señoritas verbergen zich achter hun waaier, jonkers flaneren, hellebaardiers waken over een bonte mengeling van bedelaars, muzikanten, verkopers, acrobaten en vuurspuwers. Rechts buiten beeld staat de kathedraal in de stijgers. Op de fundamenten van tempels en heiligdommen verrijst een nieuwe stad. De onderkoning kan tevreden zijn. Voedseltekorten worden overschreeuwd door religieuze feesten, optochten, processies, stierengevechten, carnaval en terechtstellingen van de Inquisitie. De gevel van het paleis is de illusie van de macht. Daarachter schittert luxe van het Spaanse hof. En het is heel goed mogelijk dat de onderkoning diezelfde avond getuige zal zijn van het nieuwe toneelstuk, het Leven een Droom, waarin de auteur Calderón de la Barca concludeert: `Een droom alleen, dat is het leven./ En ieder mens, 't zij groot of klein,/droomt slechts zijn roem en heel zijn Zijn/ totdat zijn dromen het begeven.'

    • Rense Royaards