Nieuw! Antieke computers! Mislukkingen op de markt zijn de trofeeën van de verzamelaar Mijn dozen vol floppies met Apple II- en C64-software gaan een onzekere toekomst tegemoet

Computers worden vlot afgedankt, hele merken verdwijnen. De tijd is rijp om computers als historische objecten te verzamelen. Rond de eeuwwisseling komt er een vloedgolf oude bakbeesten op de markt. Maar dan begint het pas: zonder software geen werkende computer. Dus moet je ook software verzamelen.

Ik verzamel computers.'' De mededeling leidt vaak tot grote ogen, vooral bij mensen die net `aan de pc' zijn gegaan, of het nog zonder doen. Eén computer is al gek genoeg, nietwaar?

,,Hoeveel heb je er dan?''

,,Een stuk of vijftig.'' En dan heb ik er nog zo'n vijftien meegegeven aan andere sjacheraars of aan de vuilnisman. Zelfs voor een verzamelaar zijn er grenzen.

De tijd is rijp voor een hobby als deze. Er is aanbod. De liefhebbers van het eerste uur zijn overgegaan op multimedia en schaven niet meer aan zelfgeschreven software. Die zelden gebruikte eerste pc moet van zolder weg want hij neemt maar ruimte in, en naar de maatstaven van nu kun je er niets meer mee. Al te vaak spreek ik mensen die net zo'n oldtimer bij het grof vuil hebben gezet — waar ze gretig aftrek vinden.

Er is een groeiende subcultuur van computerverzamelaars, die elkaar beconcurreren, maar die elkaar vooral helpen door apparaten en tips uit te wisselen. Het ideale medium voor deze mensen is uiteraard Internet. Er wordt gecorrespondeerd via elektronische post en nieuwsgroepen, er zijn complete ruilsystemen, en menige collectie staat ten toon op het World Wide Web.

De meest interessante fase voor de particuliere verzamelaar is die van de eerste microcomputers, zo tussen 1975 en 1985. Halverwege de jaren zeventig was het mogelijk geworden de rekenfuncties van een computer op één, in massaproductie gemaakte chip samen te brengen. Dat maakte computers veel kleiner, eenvoudiger in elkaar te zetten en dus goedkoper. Microcomputers werden in die beginjaren meestal zonder monitor en diskdrive verkocht, gebruikten audiocassettes om gegevens op te slaan, werden aangesloten op een tv-toestel en moesten veelal door de bezitter zelf worden geprogrammeerd. Het aantal modellen dat in die jaren is verschenen is beperkt, ze zijn klein, er is vrij gemakkelijk aan te komen, je kunt er leuk aan sleutelen en sommige beginnen al geld waard te worden.

Na 1985 is er eigenlijk geen beginnen meer aan, door het astronomische aantal merken en modellen dat op de markt is gezet. Ook wordt het aanzienlijk minder interessant doordat de pc de markt gaat domineren. Het enige wat je kunt doen is een paar qua gebruiksmogelijkheden representatieve computers bij elkaar scharrelen, of je juist richten op merkwaardige gevallen. Schootcomputers uit die tijd vind ik bijvoorbeeld interessant door de originele oplossingen die zijn gevonden om het apparaat klein en licht te houden. Elke fabrikant heeft het toetsenbord en het scherm weer op een andere manier weggeklapt, de diskdrive en de accu in een ander hoekje gewurmd, het handvat en het tasje een ander design gegeven.

Het eerste ontwerp voor een programmeerbare mechanische rekenautomaat is halverwege de vorige eeuw op papier gezet door de Brit Charles Babbage. Babbage was zijn tijd zover vooruit (zijn machine was digitaal, had iets wat op een processor leek, een werkgeheugen en invoer door ponskaarten) dat het hem niet lukte zijn Analytical Engine daadwerkelijk te bouwen. Dat is pas onlangs door het Science Museum in Londen gedaan. De eerste digitale, elektronische computers werden gebouwd rond 1940 op verschillende plaatsen in de VS en in Engeland. Deze werkten nog met vacuümbuizen, de `lampen' in een ouderwetse radio. De computer zoals wij die kennen, zag het levenslicht in 1977, toen de Apple II op de markt kwam, de eerste kant-en-klaar verkochte bureaucomputer.

De computer heeft dus een korte maar bewogen geschiedenis. De snelle ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat er in een paar decennia veel is gedaan dat de moeite van het vastleggen of bewaren waard is. Misschien wel te veel: diezelfde hectiek is er de oorzaak van dat veel verloren is gegaan.

De eerste machines waren groot en onbetrouwbaar. De ENIAC, een van de eerste digitale computers, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog geconstrueerd door dr. Jan van der Spiegel aan de universiteit van Philadelphia, bestond uit 30 ton aan apparatuur en telde 18.000 buizen, waarvan er elke paar minuten een moest worden vervangen. Geen handig object voor in een museum.

Het voornaamste wat er van de ENIAC bewaard is gebleven. is de informatie over de werking. Er bestaan programmaatjes die de ENIAC nabootsen op een moderne pc, en er is zelfs een vingernagelgrote chip ontwikkeld die hetzelfde doet als de mastodont uit 1945. Recentelijk is er nog een wedstrijd gehouden in het schrijven van programma's voor deze van de aardbodem verdwenen computer.

Van de wetenschappelijke computers van voor 1950 zijn geen werkende exemplaren bewaard gebleven. Van de Mark 1, een baanbrekende machine die in 1948 in Manchester tot stand kwam, bestaan alleen simulatoren. Aan de TU Delft is in de jaren veertig en vijftig volop met computers geëxperimenteerd; een aantal pronkstukken uit die periode staat in de studieverzameling van de faculteit Informatietechnologie en Systemen, maar niets werkt meer. Van de in 1947 in Delft ontwikkelde Zebra (Zeer Eenvoudige Binaire Rekenautomaat) is onlangs een simulatieprogramma verschenen.

De universiteit van Amsterdam (UvA) heeft sinds vijf jaar een Computermuseum waar computers, rekenmachines en toebehoren in werkende staat worden bewaard en tentoongesteld. De expositie is, net als die in Delft, op afspraak te bezichtigen. Ook het PTT museum en het schrijfmachinemuseum Scryption houden zich zijdelings met computers bezig. Verder is er een initiatief genaamd Floating Point dat in 1992 is uitgegaan van de Hobby Computer Club (HCC). Floating Point streeft naar een algemeen computermuseum voor het publiek, waar uitleg wordt gegeven over de geschiedenis, de werking en het belang van computers.

Ruimte is een groot probleem bij iedereen die computers verzamelt. De Computer History Association of California (CHAC), een van de organisaties die zich bezighoudt met de geschiedschrijving van de computer, voorspelt dat rond de eeuwwisseling een vloedgolf van tientallen jaren oude bakbeesten zal loskomen in verband met het millenniumprobleem.

Het computermuseum van de UvA heeft al vijf jaar één kamer als expositieruimte, waar de computers staan opgesteld in stellingen die tot aan het plafond reiken en bezit een depot dat al verschillende keren heeft moeten verhuizen. Floating Point heeft voor zijn collectie een depot bemachtigd in Voorburg (pronkstuk: een defecte IBM-computer uit 1948) maar alle pogingen een passende expositieruimte te bemachtigen zijn tot nu toe vergeefs geweest. Mijn zolder moest één keer verbouwd en twee keer opnieuw ingericht worden om de zaken onder controle te houden.

De vraag of de objecten in een computercollectie horen te werken, verdeelt de verzamelaars. `Delft' geeft er de voorkeur aan de historische machines te laten zoals ze zijn. Je gaat de ruïne van Brederode ook niet herbouwen. De conservator van het Computermuseum van de UvA, universitair hoofddocent Edo Dooijes, vindt daarentegen dat de essentie van zijn apparaten de werking is. Daarom streeft hij ernaar alle machines in zijn collectie in werkende staat te houden.

Dat noopt hem soms tot ingrijpende maatregelen, zoals het `kannibaliseren' van de ene computer om een identieke andere in bedrijf te houden. Bij unieke machines gemaakt voor onderzoek, zoals die in Delft, kan dat niet. Bij in serie geproduceerde exemplaren, zoals Dooijes voornamelijk heeft, zijn de onderdelen uitwisselbaar. De tientallen amateurverzamelaars, vaak mensen met encyclopedische kennis van een bepaald historisch type microcomputer, volgen ook deze tactiek. Ze hebben niet zelden een doos vol exemplaren van een bepaald type zodat ze nooit zonder onderdelen zitten.

Over vijftig jaar, denkt Dooijes, zal geen van de computers die tot nu toe zijn gemaakt meer werken, bij gebrek aan onderdelen en andere benodigdheden. Hij houdt zijn computers aan de praat, niet als doel op zichzelf, maar om de informatie over de werking te verzamelen en, voor zover nog nodig, vast te leggen (hij heeft boekenkasten vol met handleidingen).

Als een oude computer werkt, blijven er nog problemen genoeg over. Niet alleen de onderdelen worden niet meer gemaakt, ook de supplies zijn niet meer te krijgen: schijven, linten, papier en dergelijke. Floppy disks van 5,25 inch zijn hier en daar nog wel te koop, maar dat is een aflopende zaak. Omdat de schijven zelf een beperkte levensduur hebben moet datgene wat erop staat op een of andere manier in veiligheid worden gebracht. Een werkende computer zonder software is een zinloos object, daarom moet een computerverzamelaar ook software verzamelen.

Nu zijn de meest duurzame opslagmedia van het ogenblik, harde schijven en cd-roms, alleen te benaderen door de computers van dit moment. En die kunnen weliswaar sommige schijven van oude computers lezen (MSX, Atari), maar andere niet (C64, Apple II, BBC). Er zijn dus ingewikkelde kunstgrepen nodig, bijvoorbeeld via modems of speciaal ontwikkelde interfaces, om software en data van de oudste microcomputers langdurig te bewaren. Dat is tijdrovend werk en daar komt lang niet iedereen aan toe. Mijn dozen vol floppies met Apple II- en C64-software gaan een onzekere toekomst tegemoet, om maar te zwijgen van de vele audiocassettes met programma's voor de Sinclair Spectrum en voor de Electron en de BBC, beide van Acorn.

Nog een geluk dat in de goede oude tijd de handleidingen gewoon in boekvorm werden meegeleverd in plaats van in digitale vorm zoals nu vaak gebeurt. Handleidingen van oude computers zijn van onschatbare waarde omdat de werking van verschillende modellen vaak aanzienlijk verschilt, soms juist op heel geniepige details. Een computer zonder handleiding kun je net zo goed niet in je collectie hebben.

De tegenwoordige opvatting dat computers zonder handleiding te gebruiken moeten zijn, is rampzalig voor de computerarcheologie. Twintig jaar geleden stond in een handleiding alles wat je moest weten op een computertje desnoods helemaal te verbouwen. In handleidingen van de laatste vijf à tien jaar staat alleen wat je op het scherm kunt verwachten als hij werkt, met achterin wat obligate adviezen voor de meest voorkomende problemen (`Controleer of de stekker in het stopcontact zit.' `Neem contact op met de leverancier.'). Daar win je de strijd tegen de tand des tijds niet mee.

Een nagel aan de doodkist van de verouderde computer is: kunststof. Plastic heeft de reputatie duurzaam te zijn, althans niet afbreekbaar. Plastic in voorwerpen die wat langer mee moeten is een catastrofe. Het verkleurt op een trieste manier: kasten, monitoren en toetsenborden die begonnen zijn in het klassieke computerbeige, vervallen tot een gelige tint die je de lucht van verschaald bier en urine in de neus brengt. Snoeren worden stug en barsten. Delen die nu en dan wat kracht moeten opbrengen, zoals voetstukken van monitoren, krijgen de neiging te splijten.

Een enkele keer gaat het om zeer vitale onderdelen. Drie van de vier Sinclair Spectrums die ik heb gekregen, werkten niet meer, hoewel de gevers hadden verzekerd dat het computertje nog werkte toen het naar zolder ging. Alleen de jongste bleek het nog steeds te doen. Oorzaak in alle gevallen: de kunststof lintkabel die inwendig het toetsenbord verbindt met de printplaat waarop de elektronica is samengebracht. Dit ding vergaat gewoon. Zo'n kabel is nieuw niet meer te krijgen. Vervangen is alleen mogelijk door een compleet toetsenbord uit een ander Spectrum te transplanteren. Maar het materiaal daarvan is net zo oud als dat van de kapotte kabel. Het zal hoogstwaarschijnlijk tijdens de operatie bezwijken doordat het barst, of anders een paar jaar later stilletjes ophouden met functioneren.

Soms kun je een computer redden door een kapot onderdeel te vervangen door één dat eigenlijk niet in het apparaat thuishoort, maar wel (ongeveer) dezelfde werking heeft. Dat kan een processor zijn, een geheugenchip, een complete printplaat of diskdrive, een toets van een toetsenbord of gewoon een schroefje.

Naarmate je vaker dat soort machinevreemde ingrepen doet, glijd je af van het in de vaart houden van een werkend apparaat naar het nabootsen van de werking van het apparaat, ofwel het emuleren. Dat kan `in hardware' dus met een speciaal gebouwd apparaat dat doet wat de oorspronkelijke computer doet, zoals de ENIAC-op-een-chip. Het kan ook `in software', zoals de programma's die een hedendaagse pc zich laten gedragen als een ENIAC, een Mark1 of een Zebra. Voor de meeste microcomputers uit het tijdperk 1975-1985 zijn emulatoren te krijgen op Internet, gemaakt door liefhebbers. Verschillende emulatoren gaan zover dat ze zelfs de mogelijkheid bieden een cassetterecorder op de pc aan te sluiten zodat de oorspronkelijke software kan worden geladen en soms ook kan worden opgeslagen op de harde schijf.