Duizelig van licht

Niet alleen in hoogte wilden de Duitsers met hun Keulse dom de Franse kathedralen overtreffen, ook moest er meer `hemels' licht de kerk binnenstromen. Hoe dat lukte is al eeuwen ter plekke te zien en nu ook op de Keulse tentoonstelling `Himmelslicht'.

De trein rijdt door tot bijna voor het altaar. Het is onfatsoenlijk zo dicht op de dom als het Keulse station gebouwd is. Alsof degene die het station plande niet in de gaten had dat de dom daar al stond. Maar hoe zou iemand dat niet in de gaten kunnen hebben? Deze kathedraal die alle andere kathedralen moest overtreffen is de steen geworden naijver en pronkzucht van de toenmalige aartsbisschop. Die begon zich te schamen voor het dommetje dat er stond, een gewoon romaans gevalletje met wat aardige torentjes dat trouwens ook al menigmaal was vergroot en opgetuigd met extra kapellen, zelfs werd er in de elfde eeuw nog een hele extra kerk aan vastgeknoopt. Maar desalniettemin was de `oude dom' zoals we vanuit hedendaags perspectief zeggen, te klein. Ze waren in Duitsland natuurlijk ook niet gek en wisten wel dat er in Frankrijk enorme kathedralen werden gebouwd, de een al hoger en bijzonderder dan de andere, allemaal in de moderne stijl. Gotisch.

In het najaar van 1248 werd de eerste steen voor de nieuwe kathedraal gelegd. De dom is dus net jarig geweest, 750 is-ie nu geworden.

Maar hij smokkelt met zijn leeftijd. Of Keulen smokkelt ermee, want weliswaar is de eerste steen in 1248 gelegd, en weliswaar heeft men toen lang flink doorgebouwd, maar van een heuse dom is toch eeuwenlang geen sprake geweest. Alleen maar van stukjes dom. In 1842 werd alweer een feestelijke eerste steen gelegd, die van de `Weiterbau'. Pas in 1880 werd feestelijk de laatste steen geplaatst.

Zo'n zestig jaar later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen er veertien zware vliegtuigbommen op het gebouw. De torens bleven staan, evenals het grootste deel van het koor, het oudste stuk van de kerk. Voor de rest lagen grote delen in puin. Nog steeds is niet alles hersteld, bovendien brokkelen er alweer stukken af in het koor en beginnen de ijzeren pinnen te roesten die in de torens al die kransen, bloemen en wimpels met elkaar verbinden en daardoor dreigt de steen te barsten. In Keulen zegt men: ,,Als de dom klaar is, gaat de wereld ten onder.''

Aan, of bijna in, de voet van dit veelgeplaagde bouwwerk stopt dus de trein. Wie uitstapt kan meteen het hoofd in de nek leggen om de oude reus te zien. In Keulen loopt men dagenlang met het hoofd in de nek. Dat loont de moeite. Want wat men ook allemaal over deze dom kan zeggen: hij is geweldig. De twee torens naast de hoofdingang zijn 157 meter hoog, en luchtig als suikerbakkerswerk, al heeft dat woord dankzij de communistische bouwkunst een wat minder gunstige betekenis gekregen. Maar van wat anders dan suiker zou zulk kantwerk gemaakt kunnen zijn, al die gaatjes, al die elegante bloemetjes, duiveltjes, engelen — oorspronkelijk nog allemaal van bijna witte steen ook. De zwarte aanslag die er nu opzit maakt het geheel wat minder toverachtig, maar het blijft onbegrijpelijk hoe steen zo fragiel kan ogen en tegelijkertijd zo hoog en ongenaakbaar kan zijn.

Het is mogelijk, voor wie niet al te zeer aan hoogtevrees lijdt, om een van de torens te bestijgen. De verwondering neemt dan alleen maar toe. Hier en daar staat een elegant spitsje wat scheef op zijn onderstuk, alsof het van de wind een zetje heeft gekregen. En achter allerlei zuilen zie je ineens een vleugelpunt te voorschijn komen, glurend door een miniem raampje ontdek je een guirlande — er is veel verborgen schoonheid in de torens. De bouwmeesters hebben blijkbaar niet gedacht: dat is zo hoog, dat kan wel iets eenvoudiger. Ze dachten misschien, dat zou bij een kerk wel passend zijn, dat het van bovenaf wel degelijk zichtbaar was allemaal.

Ware gotiek

Er zijn veel indrukwekkende maten op te geven van deze dom, van lengtes en hoogtes en oppervlaktes, maar wat schieten we daarmee op. Hij is groot. Hij was ook bedoeld om groot te zijn, hij was bedoeld om de kathedraal van Amiens in Frankrijk naar de kroon te steken.

In Frankrijk vinden ze dat een beetje flauw. De ware gotiek hebben zij, die is praktisch door één man uitgevonden, hun eigen abt Suger die samen met een bouwmeester in de twaalfde eeuw de kloosterkerk in Saint-Denis moderniseerde op een manier die bijzonder aanstekelijk werkte. Men ging aan het bouwen in dezelfde geest en verfijnde de stijl steeds verder. De Notre Dame van Parijs, de kathedralen van Reims, Chartres en Amiens, allemaal nieuw, allemaal rijk, allemaal gotisch.

Waarin wilde Keulen Amiens dan zoal overtreffen? Vooral in hoogte, want de gotische bouwkunst streeft naar omhoog, alles is lang en opwaarts gericht. Dus het schip van de kerk moest hoger worden dan enig schip dat ze in Frankrijk hadden, en het moest bovendien eleganter zijn. De wanden van gotische kathedralen werden in drieën verdeeld, eerst hoge, gebrandschilderde ramen, dan een klein tussenstuk met een omgang, dan weer ramen. In Keulen zag men kans de verhouding van deze ramen drie staat tot één staat tot drie te maken, wat nog nergens eerder gelukt was. Misschien ook niet gewild — dat vertelt de historie niet.

Verder moest de kerk rijk zijn — de gotiek werd niet geïnspireerd door de idee van eenvoud. Abt Suger was van mening dat God beter geëerd werd door iets kostbaars dan door iets armoedigs. ,,Ik voor mij verklaar dat het mij bijzonder juist voorkomt dat het kostbaarste dat er is, vóór alles ten goede komt aan de viering van de Heilige Eucharistie. (-) Zij die ons bekritiseren brengen naar voren dat een heilige ziel, een zuivere geest en een vrome intentie voor deze viering voldoende moeten zijn, en zeker, dat geven wij toe, dat is belangrijker dan wat dan ook. Maar toch houden we vol dat de heilige vaten ook met uiterlijke verfraaiingen zijn gediend, en in de dienst van het heilig offer zelfs meer dan elders, in alle innerlijke zuiverheid, in alle uiterlijke waardigheid.''

Gebeente

Uiterlijke waardigheid werd niet alleen voor het kerkelijk serviesgoed nagestreefd, maar ook voor het kerkgebouw zelf. Het kon niet sierlijk genoeg zijn en ook de heiligheid van kruisbeelden en reliekschrijnen werd beter door goud en edelstenen (`bouwstenen van het hemelse Jeruzalem') uitgedrukt dan door iets simpels in hout en ijzersmeedwerk. Nu had Keulen gelukkig een reliekschrijn waarin het gebeente van de heilige drie koningen rustte. Die schrijn werd, zoals dat toen geheel comme il faut was, precies in het middelpunt van de kerk neergezet, daar waar het dwarsschip het middenschip kruist. Op dat punt valt het meeste licht binnen en midden in dat licht is iets van goud heel passend. Hij staat er nog steeds (of eigenlijk weer opnieuw), de grootste schrijn van Europa (ja, ja!), geheel van goud, versierd met de kostbaarste edelstenen die het parochiebestuur met slinkse en vleierige brieven van de toenmalige vorst wist af te troggelen. De botten zelf waren in de twaalfde eeuw een geschenk van keizer Frederik Barbarossa aan de aartsbisschop van Keulen. Onlangs, in de week van het Driekoningenfeest (6 januari), is de voorkant opengeklapt geweest zodat je de heilige schedels zou kunnen zien. Iemand die het gezien had vertelde dat de botdelen zo bruin geworden zijn dat ze in de schemering van de schrijn onzichtbaar zijn, maar wat men wel ziet is het blinken van de kronen die de doden nog altijd op hun hoofden dragen.

De meest opvallende versiering waarmee men God kon eren bestond niet uit goud en juwelen. Het licht zelf representeerde het goddelijke het best, want God is licht, meende abt Suger, in navolging van de pseudo-Dionysius de Areopagiet. Deze Dionysius, die pseudo heet omdat hij gehouden werd voor een Griekse leerling van Paulus, maar die in de zeer vroege Middeleeuwen zijn traktaat Theologia Mystica schreef, was in Frankrijk bijzonder invloedrijk. Hij was van mening dat het universum is voortgekomen uit een lichtende bron en een uit vele trappen bestaande waterval van licht vormt. Daarbij werd ook het woord van Christus: ,,Ik ben het licht der wereld'' (Joh. 8:12) graag aangehaald.

Romaanse kerken waren vaak donker, het heiligste bevond zich nogal eens ondergronds in de duisternis, schemerig verlicht door kaarsen. Suger wilde licht in de kerk hebben, vandaar de hoge gotische ramen. Maar gewoon licht was hem niet bijzonder genoeg. Kerken werden gezien als een voorafschaduwing van het hemelse Jeruzalem waarvan in Paulus' brief aan de Hebreeën, maar vooral in de Openbaring van Johannes sprake is. Het hemelse Jeruzalem, de stad Gods, zal nederdalen uit de hemel aan het einde der tijden. De stad is kostbaar, vanzelfsprekend, met een diamanten muur en gouden gebouwen en ze is gehuld in een bijzondere glans, ,,want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam''. Iets van de bijzonderheid van dat licht moest ook in de kerk heersen. Daarom moest het profane licht van alledag gefilterd worden, en niet zomaar gefilterd, het moest door de heilige gestalten van Christus en zijn discipelen en navolgers heendringen. Glas-in-loodramen met daarop heiligen en bijbelse scènes vulden de kerken met een licht dat buiten nergens gevonden kon worden, een licht dat men met enig recht `hemels' zou kunnen noemen.

Zoals gezegd, zijn de ramen in de Keulse dom zeer hoog. Er kan dus menig heilig tafereeltje op afgebeeld worden. Maar als die hoge ramen tot bovenaan toe volgezet worden met kleur valt er nog maar weinig licht in de kerk. Bovendien zat men met proportie-problemen: heiligen kunnen wel meer dan levensgroot afgebeeld worden, graag zelfs, maar om ze nu twintig meter hoog te maken op de verhoudingsgewijs smalle ramen is iets te eigenaardig. Op de tentoonstelling `Himmelslicht' die in de Joseph Haubrich Kunsthalle van Keulen gehouden wordt, is te zien wat voor type mogelijkheden en oplossingen er zijn voor deze problemen. In de jarige dom zelf kan men dat natuurlijk ook zien, maar met minder uitleg, en, alweer of nog steeds, met het hoofd in de nek.

Het voordeel van de dom is wel weer dat het hemelse effect van de ramen er te ondergaan is. Door de kleurvlakken lijkt het licht altijd zowel stralend als gedempt, en omdat het van zo hoog komt krijgt het een onmiskenbaar onaardse gloed. Men kan er duizelig van licht worden, doorspoeld van licht, en voor wie de overtuiging heeft dat God licht is, moet dat een ongelooflijke sensatie zijn.

Bloemmotieven

De tentoonstelling biedt het voordeel dat men het glas in lood nu eens van aangezicht tot aangezicht kan bekijken. Niet dat dat aldoor zo'n feest is, er is veel nadrukkelijkheid, stijfheid en stichtelijkheid glas geworden. Maar de details lonen de moeite. Twee kleine afwerende handjes, een slapende wachter, een gezicht met een paar losse streken van een dun penseel in verwondering neergezet — dat is mooi. En wat ook mooi is, prachtig zelfs, is het zogenaamde `grisaille'. De kloosterorde der cisterciënzers, zo leert ons de tentoonstelling, mocht van de strenge ordeleiding geen herkenbare figuren afbeelden in hun gebrandschilderde ramen, en evenmin mochten ze kleur gebruiken. Dat levert schitterende ramen op met blad en bloemmotieven in grijsgroen, geelgroen, gebroken wit — alle tinten die glas van zichzelf kan aannemen. Een grisaille ruit met een dunne band van kleur eromheen is trouwens ook heel mooi. Of bloemen in grisaille afgewisseld met gekleurde bloemen. En als niemand zegt dat dat niet mag, en tegen de kathedraalbouwers die immers geen cisterciënzer monniken waren zei niemand dat, dan kun je die grisaille-varianten heel goed gebruiken in je gotische kathedraal. Zo heeft men voor de achterste ramen in de dom, daar waar het van belang is dat er veel licht naar binnen valt, gekozen voor grote grisaille vlakken boven de koningen en heiligen, die daardoor in aanvaardbare proporties afgebeeld konden worden.

Een ander opmerkelijk verschijnsel is dat op de glas-in-loodramen die bedoeld waren voor in de kerk, zelf ook weer vaak kerken zijn afgebeeld. Die kerken moeten waarschijnlijk nog meer dan gewone kerken opgevat worden als afbeeldingen van het hemelse Jeruzalem, en als het licht door deze voorstellingen heen valt en ze een diepte en een glans krijgen die beslist niet van deze wereld lijken, dan is het niet moeilijk om de gedachten in die richting te dwingen.

Het hemelse Jeruzalem — wie er eenmaal oog voor krijgt ziet het overal, vooral na een bezoekje aan het Wallraf-Richartz-Museum dat een toelichting heeft gemaakt bij een aantal schilderijen uit de collectie onder de titel `Die Großstadt als Paradies'. Het gaat om laatmiddeleeuwse schilderijen waarop het aardse dan wel het hemelse Jeruzalem wordt afgebeeld. Zo ziet men bijvoorbeeld een schilderij met Maria aan de hemelpoort: de hemelpoort lijkt sprekend op de dom van Keulen. Zit Maria in de paradijstuin, dan staat achter haar de dom (of een andere dom). Vaart Jezus ten hemel dan zien we in de verte een kathedraal. Dat is eigenlijk raar, want in de Openbaring staat met zoveel woorden dat de hemelstad geen kerk of tempel heeft ,,want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam''. Maar goed. In de Middeleeuwen stelde men zich toch graag voor dat zo'n dom in zekere zin uit de hemel was neergedaald. Al moest er nog zo hard gewerkt worden om hem van de grond te krijgen.

Hoe vaker men de dom bekijkt en bezoekt, hoe meer eraan te zien is. De eerste indruk is voornamelijk overrompelend, bij nadere beschouwing is er veel dat om gerichte aandacht vraagt. Maar die eerste of grote indruk blijft behouden. Veel dichters hebben de dom vergeleken met een woud en hoewel dat in eerste instantie een malle metafoor lijkt voor een gebouw, blijkt die voor wie een poosje staat en de blik door de lengte van de kerk laat gaan ineens zelfs tamelijk voor de hand te liggen. Al die eindeloos lange slanke zuilen en halfzuilen die eindigen in naar elkaar reikende bogen — laatst, fietsend door een Amsterdamse straat die aan twee kanten hoge rechte iepen heeft, `zuiliepen', dacht ik ineens: gotisch. Zoals die bomen slank omhoog schieten en hun takken daarboven naar elkaar toe neigen vormen ze als vanzelf lange spitsbogen. Zodat het niet zo gek is dat dichters spreken van het ,,hoogoprijzende zuilenwoud van stenen stammen''.

Behalve dat zuilenwoud is er dus nog wel het een en ander te zien. De houten duiveltjes op de koorbanken en de veertiende-eeuwse koorbanken zelf. Allerlei schilderijen, muurschilderingen, kapellen, vastgemetselde heiligen, versteende ridders, altaarstukken waarin het aardse Jeruzalem met bakstenen huisjes en trapgeveltjes verrassend veel weg heeft van Antwerpen. En dan is er nog een duizendjarig kruisbeeld, het zogenaamde Gerokruis, gemaakt in de tiende eeuw door aartsbisschop Gero — het oudste kruisbeeld van dergelijke omvang in Europa meldt de dom trots. Dat is in zijn pre-gotische eenvoud in deze kerk ineens aandoenlijk anders. De stervende Christus heeft een aardig bol buikje en zijn twee voeten zijn nog naast elkaar gespijkerd. Het is een wonderlijk idee, deze hele enorme kerk ter ere van een gekruisigde die niets wist van wat er in zijn naam nog komen ging, niets van kathedralen, niets van aartsbisschoppen, niets van hemels licht door gotische ramen.

Himmelslicht. Europäischer Glasmalerei im Jahrhundert des Kölner Dombaus (1248-1349). Joseph Haubrich Kunsthalle, Keulen. T/m 7 maart, di-vrij 10-17, do 10-20, za & zo 11-17 uur. Catalogus 76 DM

Die Großstadt als Paradies. Himmliches und irdisches Jerusalem in der Malerei des Spätmittelalters. Wallraf-Richartz Museum, Keulen. T/m 21 februari, di 10-20, wo-vrij 10-18, za & zo 11-18 uur.