E. H. Carr: What is history? 1961;

E.H. Carr: What is history. Penguin (1991), f26,95

Geschiedenis is meer dan geconsumeerde tijd. Mensen zijn de consumenten maar ook de producenten van het verleden, zelfs in dubbel opzicht. Door te handelen maken zij de geschiedenis, al weten ze niet - zoals Marx het uitdrukte - welke geschiedenis zij maken. Daarnaast geven ze vorm aan het verleden als geschiedschrijver: in die functie weten ze juist heel goed welke geschiedenis ze produceren. De in 1982 gestorven E. H. Carr bundelde bijna veertig jaar geleden onder de titel What is history? een serie lezingen die generaties van geschiedenisstudenten heeft geholpen de grondslagen van het historische metier te leren overdenken.

Historische feiten, zo luidt zijn eerste les, spreken nooit voor zichzelf maar altijd via de stem van de historicus die de feiten aanroept. Uiteraard is het de eerste taak van de geschiedschrijver om zich goed op de hoogte te stellen. Zo behoort hij te weten dat tijdens het bewind van Stalin miljoenen mensen op tegennatuurlijke wijze aan hun einde kwamen.

Maar feitelijke accuratesse mag dan een noodzakelijke voorwaarde zijn, het is nog lang geen voldoende voorwaarde voor goede geschiedschrijving. Daarvoor moet de historicus een antwoord geven op de vraag: waarom? Hij moet een verklaring geven door de gebeurtenissen die aan Stalins massamoord vooraf gingen te selecteren, te groeperen en te interpreteren. De chaos van een onafzienbare hoeveelheid feiten ordenen en beoordelen: dat is zijn belangrijkste taak.

Hij kan zich daarbij onmogelijk losmaken van persoonlijke opvattingen en voorkeuren. De historicus ziet de geschiedenis van anderen door het prisma van zijn eigen heden. Hij is ook zelf het product van zijn ervaringen, van zijn verleden. Dat lijkt een handicap, maar het is minstens zozeer een voordeel. Goede geschiedschrijving, beklemtoont Carr, is niet alleen een kwestie van degelijk onderzoek en een verantwoorde selectie van feiten, maar ook van een eigen stijl en klank waarin de persoonlijkheid van de historicus doorklinkt. 'When you read a work of history', schrijft hij, 'always listen out for the buzzing. If you can detect none, either you are tone deaf or your historian is a dull dog.'

Dat Carr zelf een man met zeer uitgesproken opinies was, blijkt op vrijwel elke bladzijde van What is history? Hij verdedigt het standpunt dat geschiedschrijving niet alleen een dialoog is die via de persoon van de historicus wordt gevoerd tussen verleden en heden.

Hij gaat nog een stap verder: de geschiedschrijver moet ook een 'sense of direction' hebben over de toekomst, dat wil zeggen een oordeel over de richting waarin de geschiedenis zich beweegt. Hoe kan hij anders het verleden in een perspectief plaatsen dat de feiten op een zinvolle en overtuigende wijze rangschikt? Hij heeft een maatstaf nodig die verleden, heden en toekomst verbindt.

Voor Carr is er geen twijfel over de richting waarin de historische ontwikkeling gaat: geschiedenis is voor hem vooruitgang. Er is, zoals hij schrijft, sprake van een 'progressive development of human potentialities'. Hij ontkent niet dat de oorsprong van dit uitgangspunt te vinden is in zijn eigen levensloop. Hij werd geboren in 1892 en bestempelt zichzelf als het product van Victoriaans optimisme. Hij beschrijft hoe wijdverbreid aan het einde van de negentiende eeuw het geloof in de vooruitgang van de historische wetenschap was. Naarmate die wetenschap voortschreed, zou de mens een steeds beter inzicht krijgen in zijn eigen ontwikkeling en daardoor in staat zijn die ontwikkeling om te buigen in de richting van vooruitgang.

Hij werd een aanhanger van die overtuiging en vatte de historiografie op als onderdeel van een meer algemene maatschappelijke progressie die na de Eerste Wereldoorlog gestalte kreeg in de Russische Revolutie van 1917 en de ontwikkeling van de sovjetstaat. Carr werd een hartstochtelijk supporter van het sovjetcommunisme en gaf aan zijn politieke overtuiging uiting door na de Tweede Wereldoorlog een veeldelig seriewerk te schrijven: History of Soviet Russia.

In What is history? zijn weinig bladzijden te vinden waarop niet Hegel, Marx, Lenin of Trotsky worden geciteerd.

Carr roept hen aan om de lezer ervan te overtuigen dat de twintigste eeuw het tijdperk is waarin de massa's 'in the name of reason' hun emancipatie voltrekken, fundamentele veranderingen afdwingen die de vooruitgang markeren. Het gaat, zo zegt hij Lenin na, in de geschiedenis om aantallen. Personen zijn altijd de exponent van maatschappelijke krachten. What is history? verscheen op een hoogtepunt van de Koude Oorlog, in het jaar dat de Berlijnse muur werd gebouwd. Carr keerde zich vol venijn tegen zijn conservatief-liberale collega Isaiah Berlin, die in zijn opstel Historical Inevitability het deterministische vooruitgangsdenken verwierp, het open karakter van de geschiedenis onderstreepte en de morele verantwoordelijkheid beklemtoonde die individuen dragen voor de gang der dingen.

Vooral dat laatste pleidooi riep de gramschap van Carr op. De historicus, zo meende hij, moet niet oordelen in termen van een abstracte, a-historische en daardoor nietszeggende moraal, maar de historische ontwikkeling in het kader van de vooruitgang plaatsen. De misdaden van Stalin worden in zijn History of Soviet Russia dan ook geinterpreteerd als offers die in het licht van deze progressie aanvaardbaar zijn. Berlin had dit werk in een recensie bestempeld als 'the most monumental challenge of our time to the idea of impartiality and even-handed justice in the writing of history'. Even boosaardig als elegant sprak Carr zich in What is history? over Berlin uit: 'Even when he talks nonsense, he owes our indulgence by talking it in an engagingly and attractive way'. Deze uitwisseling van oordelen was overigens voor geen van beide geleerden een belemmering om op voet van wellevendheid met elkaar te blijven verkeren.

Als inleiding in de filosofie van de geschiedenis heeft het boek van Carr inmiddels een meer dan waardige opvolger gekregen in het vorig jaar verschenen In defence of history van Richard J. Evans. Ook dat geschrift bewijst door zijn polemische toonzetting dat dit theoretische onderdeel van de geschiedwetenschap niet saai hoeft te zijn. Zoals Carr de tegenstanders van het socialistische vooruitgangsdenken kapittelde, zo keert Evans zich tegen de postmodernisten die het relativistische standpunt verdedigen dat buiten onze verbeelding geen verleden bestaat en dat ieder historisch oordeel even veel, of even weinig, waard is als een ander. Geschiedenis is volgens hen niet meer dan een discours tussen historici die allemaal een even subjectieve interpretatie geven. Evans gaat echter te ver door ook Carr een relativist te noemen. De schrijver van What is history? is inderdaad van mening dat elk historisch oordeel in relatie moet staan tot een standpunt over de toekomstige ontwikkeling van de geschiedenis. Evans wijst terecht op het gevaar dat geschiedschrijving langs die weg de knecht van een politieke ideologie wordt. Maar Carr gaat beslist niet zover als de postmodernisten, die menen dat elke historicus vrijelijk zijn feiten manipuleert. 'The historian', schrijft Carr, 'is neither the humble slave nor the tyrannical master of his facts.'

Hij ontkent dat de geschiedenis slechts is wat de historicus ervan maakt. Dat verschillende interpretaties van dezelfde gebeurtenissen mogelijk zijn, betekent nog niet dat elke interpretatie verdedigbaar is. Feiten spreken weliswaar nooit voor zichzelf, maar kunnen niet ontkend of genegeerd worden. Hij bagatelliseert in zijn geschiedenis van de Sovjet-Unie de afschuwelijke gevolgen van Stalins politiek, maar hij verzwijgt ze niet.

Het verleden krijgt pas vorm via het perspectief van de geschiedschrijver maar zonder de bereidheid feiten onder ogen te zien, berust geschiedschrijving louter op fantasie. Carr nam de geschiedwetenschap te serieus om dat laatste te kunnen aanvaarden, hij nam haar zelfs zo ernstig dat hij geschiedenis opvatte als vooruitgang.