Boos en barmhartig

Als we de deze week op zestigjarige leeftijd overleden Hendrik van Teylingen mogen geloven, dan bevinden we ons op dit moment middenin het tijdperk van Leugen en Twist. Het 'kali yuga', zoals dit tijdperk in de Vedische leer wordt genoemd. Dit klinkt onheilspellend genoeg, net als de voorspelling die Van Teylingen in 1995 lanceerde over de rampzalige verschuiving van de aardas in 1998, het afgelopen jaar dus. Ik denk niet dat veel van zijn lezers wakker zullen liggen van dit soort jobstijdingen. Het is wel eens de vraag wat we precies aanmoeten met zijn ietwat bizarre verhalen, maar duidelijk is wel dat hij ze met smaak wist te vertellen.

Hendrik van Teylingen: Dronken olifanten. De Bezige Bij, 368 blz. ƒ39,50

Het is niet eenvoudig vast te stellen wat bij hem het meest bepalend was: zijn aardse of zijn spirituele inslag. Ik zou met andere woorden niet durven zeggen of het zijn scherpe, vaak cynische blik op de wereld is, die zijn werk zo aantrekkelijk maakt, of juist zijn haast teder te noemen grondtoon. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen: in de wonderlijke combinatie van boosheid en barmhartigheid.

Van Teylingen zag zichzelf ook niet als een man uit één stuk. In Dronken olifanten, zijn laatste, autobiografische roman, maakt hij een onderscheid tussen de hoofdpersoon, Harin–am–a Dasa, 'voorheen Henk Bavink' en de auteur Hendrik van Teylingen ('wie dat ook moge zijn'), die als 'Hayesvara Dasa' is ingewijd in de Vedische traditie. De Nederlandse vertaling van Harin–am–a Dasa luidt 'dienaar van Heer Paard' ofwel Paardeknecht. Een naam die hem deze droogkomische verzuchting ingeeft: 'Hij weet niet hoe hij dat aan zijn landgenoten verkopen moet.' De auteur Van Teylingen was een stuk aardser dan zijn hoofdpersoon, die in de overgave aan Krisjna, het hoogste doel van de Krisjnaïeten, een heel eind lijkt te komen. Als hij na veel moeizame omzwervingen afreist naar zijn stokoude Bengaalse goeroe, dan weet hij zich eindelijk begrepen en aanvaard. 'Ik heb mijn levensdoel bereikt. De wereld zal me nu werkelijk moeten loslaten'. De rest van zijn leven - van dit ene leven althans, want de reïncarnatieleer voorziet in vele levens - zou hij doorbrengen op Mauritius, met een groeiend aantal geloofsgenoten, zo wordt ons beloofd.

Van Teylingen woonde tot zijn dood in Amsterdam. In de jaren zeventig diende hij er zeven jaar als overste van een Krisjna-tempel. Van die zeven jaren doet hij nu verslag, zoals hij eerder verslag deed van zijn militaire dienst-periode, van zijn twee huwelijken en van zijn gelukkige verbintenis met een helderziende vrouw. Hij deed die verslagen in een razend tempo, zo lijkt het, want de afgelopen drie jaren verschenen er, naast een vertaling en een dichtbundel, twee romans en een verhalenbundel van zijn hand en nu dus alweer het omvangrijke Dronken olifanten.

De schijn bedriegt enigszins, want uit zijn voorlaatste roman De verschijning van de godin Saràsvati in Hellevoet (1995) valt op te maken dat het manuscript voor Dronken olifanten al jaren klaar lag, onder een andere titel. De Bezige Bij wilde het toen niet uitgeven omdat ze er geen brood in zag, maar nu de belanstelling voor het metafysische weer wat lijkt toegenomen, heeft ze het kennelijk alsnog aangedurfd. Niemand hoeft daar rouwig om te zijn, want het is een mooi boek: devoot en snijdend tegelijk, aards en onthecht, geestig en ontroerend.

Het klinkt wat banaal misschien, maar toch is dat precies wat Van Teylingen doet: hij weet zijn geloof te 'verkopen' aan zijn landgenoten, met behulp vooral van zijn laconieke manier van vertellen en door een gewiekste afwisseling van Vedische theorie en praktijk. Hij heeft er slag van een smakelijke anekdote te vertellen, niet zelden ten koste van zijn geloofsbroeders en -zusters, die niet allemaal even recht in de leer zijn. Maar hij maakt het ook weer niet zo bont dat zijn geloofsovertuiging erdoor in een dubieus daglicht komt te staan. Hij is bovendien ook kritisch over zichzelf, omdat hij bij het mediteren maar al te vaak in beslag wordt genomen door erotische en andere oneigenlijke beslommeringen. Ook doet hij zijn beklag over zijn beperkte geheugen dat hem geen inzage wil geven in zijn vroegere levens. 'In mijn naaste omgeving bevinden zich goedbedoelende mensen die zich herinneren Amenhotep III of Michiel de Ruyter te zijn geweest, maar ik herinner me niet eens de eerste zin van deze alinea.'

Ik denk niet dat iemand snel bekeerd zal raken door de beschrijving van de lotgevallen van tempeloverste Harin–am–a Dasa, maar er gaat wel iets stichtends uit van de genegenheid die hij, naast ergernis, verbazing en verbijstering, tentoonspreidt ten opzichte van de medemens. Op liefdevolle toon schrijft hij bijvoorbeeld over het zootje ongeregeld dat zijn tempelpersoneel vormde. Hij wil het goede laten zien van 'de Gemeenschap' die hem naar eigen zeggen het eeuwige leven heeft gegeven, en daar slaagt hij ook wel in. De beschrijving van het gemeenschappelijke tempelleven doet bij alle monotonie en ascese ook prettig dienstbaar, overzichtelijk en vriendschappelijk aan. Zijn gram richt zich niet op de gewone 'monniken', maar op hun leiders, die het te hoog in de bol kregen en de wereld onder elkaar gingen verdelen in regio's en zones. De meest snijdende passages in Dronken olifanten zijn gewijd aan deze Mercedes- en BMW-rijdende, rolex-dragende, op geld, macht en vrouwen beluste types. Op een van hen, die er later vandoor zal gaan om onder zijn wereldse naam in Georgia een pindafarm te beginnen, heeft Van Teylingen het speciaal voorzien. Erg komisch is de episode rond het leren schrijfblad van zijn bureau, een verboden product binnen de gemeenschap, die iedere vorm van geweld tegen mens en dier afwijst. Maar, zo luidt dan de opportunistische redenering van de leider in kwestie, dit leer is afkomstig van koeien die een natuurlijke dood zijn gestorven, vegetarisch leer dus eigenlijk. 'Het viel natuurlijk in een leerfabriek niet na te gaan wat nu geweldloos of vegetarisch leer was. Maar een oprechte dienaar van de Heer, een zuivere toegewijde (-) trok door zijn geweldloze instelling het vegetarische leer vanzelf naar zich toe'.

Vegetarisch leer is iets wat mij van deze roman zal bijblijven, net als de woorden tempeleend (de 2CV van de tempeloverste), kruisbeens en lotusmond, om maar eens een greep te doen uit het montere vocabulaire van Van Teylingen. Maar vooral zal ik mij de tijdloze mededeling herinneren die eraan ten grondslag ligt. Het valt niet mee, zo valt op bijna elke bladzijde te lezen, om zich werkelijk over te geven aan iets, of je dat iets nu omschrijft als God, een geloof, een bepaalde discipline, een manier van leven, of als liefde voor alles wat groeit en bloeit. Bijna niemand is in staat tot zoveel zelfopoffering. Van Teylingen was dat zelf ook niet, zo blijkt uit de beschrijving van zijn tempelgeschiedenis. Hij mocht dan van de transcendentie zijn, echt ontstegen raakte hij nog lang niet aan het aardse. Dat was wellicht tragisch voor hemzelf, maar voor ons, oningewijden, is dat prettig, want daarmee bleef hij tot het laatst behouden voor het schrijverschap.