SOCIALE PREMIES

Toelichting Werkgevers betalen bovenop het bruto loon een overhevelingstoeslag ter compensatie van de premie voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) die voor rekening van de werknemers komt. De overhevelingstoeslag bedraagt 2,20 procent (1998: 1,70 procent) van het loon waarover premie wordt geheven. De toeslag wordt berekend over maximaal 83.200 gulden per jaar.

Aanvankelijk zou de overhevelingstoeslag per 1 januari 1998 volledig worden afgeschaft. In plaats daarvan zou de toeslag worden opgenomen in het brutoloon. In 1997 is echter besloten om die operatie uit te stellen.

Met ingang van 1 januari 1998 is de AAW als volksverzekering opgeheven. Sinds dit jaar geldt een WAO-premie, die volledig door werkgevers wordt betaald.

De WAO-premie bestaat uit twee delen: de basispremie (die voor alle takken van bedrijf en beroep geldt) en een gedifferentieerde premie die voor elk bedrijf apart wordt vastgesteld.

Aan de hand van het landelijk gemiddeld risico (1999: 1,35 procent) en de rekenpremie (1999: 0,85 procent) stelt het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (Lisv) de gedifferentieerde premie vast. Gemiddeld bedraagt deze volgend jaar 0,81 procent (1998: 0,28 procent). Daarbij geldt voor grote werkgevers een maximale premie van 3,24 procent (1998: 1,12 procent). Kleine werkgevers betalen maximaal een gedifferentieerde premie van 2,43 procent (1998: 0,84 procent) en minimaal 0,77 procent (1998: 0,22 procent).

Het maximum inkomen per dag waarover WAO-premie moet worden betaald is 310 gulden. Hetzelfde maximum geldt voor de wachtgeldregeling en de Werkloosheidswet (WW).

De Algemene Arbeidsongeschiktheidwet (AAW) is in 1998 vervangen door de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ). Deelname aan deze wet is verplicht voor zelfstandige ondernemers en 'beroepsbeoefenaars'. De verzekerden hebben recht op een franchise (premievrije voet) van 29.000 gulden (1998: 29.000 gulden). De hoogte van de uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en van de hoogte van het gederfde inkomen.

In het kader van de Pemba-wetgeving (Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) per 1 januari 1998 is de wachtgeldfondspremie geheel ten laste van de werkgever gebracht. De gemiddelde wachtgeldrekenpremie bedraagt per 1 januari 1999 0,92 procent (1998; 2,20 procent). Er geldt in 1999 geen franchise (premievrije voet). De rekenpremie voor het wachtgeldfonds is een gemiddelde. Het Lisv stelt de premie per bedrijf vast.

Bij de premieheffing voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) geldt zowel voor de werkgever als voor de werknemer een franchise (premievrije voet) van 108 gulden per dag. Deze franchise is bedoeld om de lasten van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verlichten. De marginale AWf-premie voor werkgevers bedraagt in 1999 4 procent (1998: 4,15 procent). De werknemerspremie bedraagt in 1999 6,10 procent (1998: 6,45 procent).

De aangegeven premiepercentages voor wachtgeldverzekering en VUT (vervroegd uittreden) betreffen geraamde gemiddelden. Deze premies worden vastgesteld door het Lisv.

In 1996 is de Ziektewet geprivatiseerd. In plaats daarvan is de Wet Uitbreiding Loondoorbetaling bij Ziekte (WULBZ) gekomen. Deze wet verplicht werkgevers om zieke werknemers gedurende 52 weken 70 procent van het loon door te betalen. Werkgevers kunnen zelf besluiten of ze voor deze kosten een particuliere verzekering afsluiten. Door de privatisering van de ZW zijn de wettelijke premies vervallen.

Voor de Algemene ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) - tezamen de 'volksverzekeringen' - geldt een premievrije voet van 8.799 gulden per jaar.

De loongrens voor de ziekenfondsverzekering (ZFW) is vastgesteld op 64.300 gulden in 1999. Werknemers die een hoger inkomen hebben moeten zich particulier verzekeren. Wie ouder is dan 65 jaar en per 1 januari 1999 minder dan 40.900 gulden inkomen heeft, valt onder de ziekenfondsverzekering.

Ziekenfondsverzekerden zijn ook een nominale premie ZFW verschuldigd. De hoogte hiervan wordt door de ziekenfondsen zelfstandig vastgesteld.

Ervan uitgegaan wordt dat de gemiddelde nominale premie ZWF 356 gulden (1998: 216 gulden) per jaar per volwassene bedraagt. Voor meeverzekerde kinderen is geen premie verschuldigd.

De in 1998 ingevoerde eigen bijdrage voor ziekenfondsverzekerden (maximaal 200 gulden per jaar) is voor volgend jaar weer afgeschaft. Hetzelfde geldt voor de toegangsbijdrage voor thuiszorg.