Een pand op stand

De trekbel zit los en galmt alsof daarachter geen binnenmuren zijn. Na een minuut gaat de brede deur open. Langzaam wegens de grote draaicirkel. Ik verwacht mijn studievriend Vic te zien, de kersverse eigenaar van dit pand, maar zie niemand. Er komt een koude adem uit het huis. Voor mij ligt een lange gang met een gehavende marmeren vloer. Die herinnert mij aan een verhaal dat Vic mij twintig jaar geleden over zijn jeugd vertelde.

Tijdens schoolvakanties ging hij met zijn vader op karwei: eerst kwasten reinigen, maar al gauw kreeg hij ook een hamer in zijn hand. Een keer legden ze een badkamer aan bij een dure dame in een groot huis met een marmeren gang. Toen ze zaten te schaften op de zakken cement (stoelen zouden ze maar vuil maken), kwam die dame met drie uitgespoelde plastic boterhamzakjes bij zijn vader aan en zei: “Die kunt u vast nog wel gebruiken.'

Uit de schaduw achter de deur komt een oude man te voorschijn: Vics tachtigjarige vader. Hij draagt een verschoten blauwe schipperstrui met een ritsje onder de kin. Met zijn gewicht duwt hij de deur dicht, slaat stof van zijn mouwen, veegt zijn rechterhand aan zijn broek af, steekt hem mij toe en zegt dat er in dit huis zoveel moet gebeuren, dat je niet weet waar te beginnen.

Hij loodst mij door de gang. “Voorzichtig', waarschuwt hij. “Struikel niet. Kijk, dit stuk muur moet weer helemaal worden opgebouwd. En hier zat een trap. Pas op je koppie.' Licht en snel gaat hij de ladder naar het souterrain af. Altijd als ik Vics vader zie, valt mij op hoeveel zijn zoon en hij op elkaar lijken: dezelfde bouw, dezelfde vorm van gezicht en handen allebei geestig en even zorgzaam. Alleen hun lengte begint de laatste jaren te verschillen. En ik denk niet dat voorvallen als die met de boterhamzakjes op de vader ooit indruk hebben gemaakt.

Als we beneden zijn, staan we op de bodem van een rechthoekige betonnen bak zo groot als het grondvlak van het pand. De buitenmuren rusten op de dikke randen van de bak. Vics vader tikt met zijn hak op het beton. “Helemaal onderheid,'zegt hij goedkeurend. “Die vochtplekken komen van het inregenen. Tot zo hoog stond het blank.

Dat heb ik allemaal weggepompt. Hij gaat de ladder weer op en steekt mij behulpzaam een hand toe.

Nadat we over de schotsen marmer het achterhuis bereikt hebben voert hij mij een ruime hoge kamer binnen en zegt: “Hier komen de douche en het bad.' Ik denk aan het bovenwoninkje in Amsterdam-Noord, waar Vic met zijn broers opgroeide. 's Morgens moest het hele gezin zich wassen aan het ene gootsteentje in de keuken. Toen Vic - tijdens een schoolreisje - voor het eerst iets anders zag dan Noord, wilde hij niet geloven dat in zo'n Veluwse villa met een park er omheen, slechts een gezin woonde.

Omdat hij een jongen was 'waar een kop op zat', mocht hij verder leren. Dat heeft hij gedaan. Met beleid. Dit pas gekochte pand aan een van de grachten is het bewijs.

De oude man en ik bekijken het huis met zijn vele trappen van top tot teen. We komen Vic, wiens stem nu eens dichtbij, dan weer ver weg klinkt, niet eenmaal tegen. Mijn gids wijst op de brede plafondplanken. “Zulke planken worden tegenwoordig niet meer gemaakt', zegt hij. Hij tikt tegen de ramen. “Hoor je die hoge toon? Dat is geen vensterglas, dat is om schilderijen in te lijsten. Veel te dun. Daar ga je zo doorheen.' Hij klopt op een stapel nieuw hout. “En dit moet op de vloer. Dat moet van Monumentenzorg. Ja die zitten er bovenop.' Niet een keer laat hij merken dat hij trots is op zijn zoon. Of het moest verhuld zijn in de woorden: “Wat die jongen in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn kont.'

Vic heeft de architect uitgelaten en zoekt ons op. Onder de arm heeft hij een indrukwekkend dikke map met papieren. Nonchalant draagt hij een peperduur pak en hij veegt het stof van zijn schoenneuzen. “En?' vraagt hij glunderend.

“Wat vind je ervan? Er moet nog waanzinnig veel gebeuren, maar dan hebben we ook wat. We zijn nog met de aannemer aan het boksen over het bedrag.'

Nadat ik de loftrompet over het pand gestoken heb, besluiten we met zijn drieen in een cafe koffie te gaan drinken. De oude man sluit de deur af.

Na de koffie lopen Vic en ik samen op. Zijn vader gaat terug het pand in. “Hij vindt het heerlijk om daar te rommelen,' zegt Vic. “Ik heb hem maar een sleutel gegeven. Als hij weet dat ik om tien uur kom, is hij er om kwart voor tien en doet mij open. Dat ik nog steeds met de aannemer aan het onderhandelen ben, snapt hij niet. Hij begrijpt niet waarom ze nog steeds niet begonnen zijn. 'Voor de winter', zegt hij. 'Straks gaat het vriezen.' Op zolder legt hij licht aan en in het souterrain heeft hij een pomp geinstalleerd. Een beetje zinloos zolang het nog inregent, maar ik laat hem maar. Vorige week vond hij in de tuin een bak die met cement was afgedekt. Die wilde hij legen. Ik zei: 'Je weet niet wat er onder zit. Kijk uit voor je handen. Ze kunnen er wel in gekakt hebben.' Urenlang scharrelt hij in dat koude huis. Zonder jas aan. Hij is er gelukkig. Eigenlijk is het zijn huis. Zag je hoe ik daarnet niet eens de kans kreeg de deur op slot te doen?'