De laatste religie

HET RECHT WORDT wel de laatste religie in een geseculariseerde maatschappij genoemd. De burger weet in elk geval de weg naar de rechter te vinden. Minister Korthals (Justitie) beziet de belangstelling voor zijn bedrijfstak met gemengde gevoelens, zo bleek bij de behandeling van zijn eerste begroting. Daarin legde hij naar voorbeeld van het regeerakkoord de nadruk op de noodzaak van “dejuridisering'. We moeten niet de kant op van de Verenigde Staten met hun excessieve claimcultuur, een op tegenstellingen gerichte samenleving waarin niet langer wordt gezocht naar gemeenschappelijke oplossingen.

Juridisering is voor de minister van Justitie niet bij voorbaat een ongewenst verschijnsel. Korthals moest toegeven dat de toename van de regelgeving “logischerwijs tot meer procedures leidt'. Toch vindt hij dat “op een heleboel punten sprake is van allerlei procedures die eigenlijk niet nodig zouden zijn geweest'. De minister ging daar niet op door, maar het regeerakkoord stoelt op een fikse portie ergernis van bestuurders die vinden dat rechters te veel op hun stoel gaan zitten.

De vraag of die bestuurders het daar soms niet zelf naar maken pleegt daarbij te worden verbannen naar het vergeethoekje. Hoe moeilijk het is om in de moderne, gecompliceerde samenleving de rechters terug in het ouderwetse hok te zetten blijkt uit een besluit dat dit kabinet van de dejuridisering vlak voor het kerstreces nam. Er komt een wetswijziging om de civiele procedures te bespoedigen. Dat is geen overbodige maatregel want nog steeds geldt al te vaak “wie procedeert om een koe...TE: DE VOORGESTELDE maatregel voorziet intussen wel in een actievere rol van de rechter in de procedure. Dat is nu net de beroepsattitude waar de pleitbezorgers van dejuridisering zoveel moeite mee hebben. In strafzaken is uit ongenoegen met allerlei vormfouten de speelruimte voor de rechter ook al vergroot. De vraag hoe rechters met hun nieuwe beleidsvrijheid omgaan verleent een speciale betekenis aan de discussie over een nieuwe beheersstructuur voor de zittende magistratuur aan de hand van plannen van de Commissie-Leemhuis. Deze heeft voorgesteld een raad voor de rechtspraak in het leven te roepen met de bevoegdheid allerlei bindende richtlijnen uit te vaardigen voor rechters.

Vallen van boven uitgevaardigde aanwijzingen nog wel te rijmen met het grote gebod van de rechterlijke onafhankelijkheid? Staatssecretaris Cohen (Justitie) die de geplande reorganisatie in zijn portefeuille heeft, voelt kennelijk enige nattigheid.

Hij verklaart de aanwijzingsbevoegdheid te willen beperken tot beheerszaken. Inhoudelijke beleidsvragen vallen daar met andere woorden buiten.

Deze precisering vormt in aanleg een belangrijk winstpunt. De vraag is alleen hoe beheer en beleid vallen te scheiden. Het is te makkelijk om te zeggen dat de rechterlijke onafhankelijkheid in het vonnis zit en niet in de organisatie. Organisatorische aangelegenheden als de toedeling van rechters aan de diverse sectoren en het bevorderingsbeleid of de rolzitting (de agendering van zaken voor verdere behandeling) kunnen wel degelijk hun weerslag hebben op de rechterlijke aanpak. De Hoge Raad heeft nog niet zolang geleden duidelijk gemaakt dat hij zich de verschillen in rolrichtlijnen bij de diverse gerechten gaat aantrekken. Daar moet dan niet nog eens een raad voor de rechtspraak doorheen lopen.

WAT DE SCHEIDING van beheer en beleid betreft kan de vormgeving van de bespoediging van civiele procedures wellicht alvast een aardige testcase opleveren.