Zwanenzang van het bloemstilleven

Tentoonstelling: Bloemstillevens uit Nederland en Belgie, 1870-1940. Kunsthal, Museumpark, Westzeedijk 341, Rotterdam. T/m 28 februari. Open: di-za 10-17u, zo 11-17u, 1 januari gesloten. Inl.(010)4400300. In het Fries Museum in Leeuwarden is tot 28 februari de tentoonstelling 'Bloemstillevens 1850-1940; Bloemen op papier uit Nederland en Belgie' te zien.

Het bloemstilleven is een curiosum in de hedendaagse kunst. Dat het genre nog niet helemaal is uitgestorven, was dit najaar te zien bij een expositie over het Stilleven in de moderne kunst in de Parijse galerie Thaddaeus Ropac. Hier hingen ondermeer bloemstillevens van Andy Warhol Anselm Kiefer, David Hockney, Michelangelo Pistoletto en Alex Katz. Met het traditionele bloemstilleven, waarop een vaas of pot met bloemen het middelpunt vormt, hebben de hedendaagse stillevens nauwelijks meer iets gemeen. De bloemstillevens die in Parijs werden getoond, waren stuk voor stuk vrije variaties op het thema. De enige die nog een beetje in de buurt bleef van de traditie was Anselm Kiefer die een pot met een reusachtige rode geranium pontificaal middenop het doek plaatste. Maar die geranium was hem toch niet genoeg. Onder de pot schilderde hij als commentaar de bijna provocerende tekst: Still Life is exciting.

De tentoonstelling Bloemstillevens uit Nederland en Belgie, 1870-1940 in de Rotterdamse Kunsthal, toont nu de zwanenzang van het aloude genre dat in het vooroorlogse expressionisme en het magisch-realisme misschien wel zijn allerlaatste bloei beleefde.

Het klassieke bloemstilleven was in Nederland vanaf het eind van de zestiende eeuw het werk geweest van schilders die zich hierin hadden gespecialiseerd, maar tegen het eind van de negentiende eeuw gingen ook andere kunstenaars, zoals de landschapschilders van de Haagse School, zich voor de weergave van bloemen interesseren. Zij voelden zich minder aan de conventies gebonden dan de gespecialiseerde bloemenschilders en het bloemstilleven zou omstreeks de eeuwwisseling dan ook dramatisch van aanzien veranderen. De kwijnende zonnebloemen die Mondriaan in 1907 schilderde, herinneren in niets meer aan de pronte boeketten van de bloemenschilders uit voorgaande eeuwen.

Toen Vincent van Gogh in 1886 in Parijs aan een reeks van meer dan dertig bloemstillevens begon, deed hij dat vooral uit de behoefte om te experimenten met kleur. Zijn broer Theo schreef in dat jaar dat Vincent bloemen was gaan schilderen 'omdat hij in zijn latere schilderijen heldere kleuren wil gaan gebruiken'. Vijf bloemstillevens van Van Gogh uit 1886 - waarbij de authenticiteit van drie omstreden is - zijn in de Kunsthal bijeen gebracht. De schilderijen tonen hoe Van Gogh bij het weergeven van rode gladiolen en witte violieren, van rozen lupines en cineraria's, bezig was de werking van kleur te verkennen, al zijn de zware, donkere tonen nog lang niet verdwenen en waagde hij zich nog niet aan het helle geel en blauw van zijn latere schilderijen.

Van Gogh was niet de enige die zich door de kleurenpracht van bloemen liet inspireren tot een lichter en helderder palet. George Hendrik Breitner schilderde in 1888 een vaas met Papavers die wit, geel en oranje opvlammen tegen een bruine draperie. De schilder Hart Nibbrig raakte in 1892 zo in vervoering na een fietstocht langs de bloembollenvelden dat hij de 'donkere bruine soep' waarin hij tot dan toe had geschilderd verving door 'klare buitenkleuren'.

De vaas met bloemen, of een enkele bloem, bleef het centrale thema van het bloemstilleven. Maar niet alleen lichtten de kleuren op, ook de vorm van vaas, bloemen en omringende snuisterijen was een eeuw geleden aan experimenten onderhevig. Werd een impressionistische roos nog door enkele spontane verfstreken weergegeven, in de kubistische stillevens werden bloemen en vazen tot op hun basisvormen ontleed en in een nauwkeurig gecomponeerde structuur op het doek gezet, zoals Leo Gestel dat in zijn kubistische Bloemen (1913) deed.

Het werk van Nederlandse en Belgische schilders - in totaal 43 van wie zo'n 120 bloemstillevens en enkele tuinportretten worden getoond - is op de expositie in de Kunsthal chronologisch gerangschikt. Wie naar verschillen zoekt tussen de Belgische en Nederlandse stillevens, zal ze makkelijk vinden. Zo zijn er verschillende kubistische bloemstillevens van Nederlandse schilders als Leo Gestel, Jacoba van Heemskerck en Jan Sluijters, maar is er geen enkel kubistisch doek van een Belg. De Nederlandse schilders waren meer geneigd tot symbolistische zwartgalligheid, zoals blijkt uit de vele kwijnende verwelkte en geknakte zonnebloemen, dahlia's en herfsttijlozen van bijvoorbeeld Otto van Rees, Piet Mondriaan, Maurits Niekerk of Ernst van Leijden.

De hang naar 'vergeestelijking' was kennelijk ook meer een Nederlandse eigenschap. Jan Mankes schilderde uiterst tere, bijna mystiek aandoende camelia's en Charley Toorop omgaf haar Aronskelken (1917) door vibrerende kleur-aura's.

Afgaand op deze expositie kun je zeggen dat de Nederlandse bloemenschilders over het algemeen cerebraler te werk gingen en niet ontsnapten aan een zekere zwaarwichtigheid. Bij Belgische schilders als Theo van Rijsselberghe, Leon de Smet, Emile Claus en Anna Boch springen meteen de lichte, uitbundige kleuren in het oog evenals de schijnbaar zorgeloze, snelle schildertrant. Ook bij de expressionistische en realistische bloemstillevens uit de jaren twintig en dertig hebben die van Belgische schilders als Jean Brusselmans en Gustave van de Woestijne een lichtere en onbekommerdere sfeer dan het werk van de Nederlanders Piet van Wijngaerdt of Dick Ket.

Er blijven natuurlijk individuele uitzonderingen op de regel. Zo stralen de bloemstillevens van Jan Sluijters, die in al hun weelderige kleurigheid lijken te zinderen van levenslust, zoveel joie de peindre uit, dat ze op deze tentoonstelling eerder Belgisch aandoen dan Nederlands.