`Hier zit de lach'; Herinneringen aan Guus Vleugel

In augustus van dit jaar overleed Guus Vleugel, 66 jaar oud. In 1960 schreef hij voor Marjan Berk het nummer `De Inentingswals'. Het betekende het begin van een langdurige vriendschap.

Ik ontmoette Guus Vleugel voor het eerst in 1960, tijdens een liefdadigheidsvoorstelling waarvoor hij een nummer had geschreven dat door Maya Bouma, Joekie van der Valk en mijn persoon werd gebracht, alledrie gekleed in het kostuum van Eliza Doolittle. Er werden audities gehouden voor `My Fair Lady' en iedere zichzelf respecterende cabaretiere of zingende actrice deed daaraan mee.

Guus persifleerde die stomme audities in dat nummer. Ik herinner me nog een zin eruit: `Nee Marjan Berk, zoek jij maar ander werk!' Bij die eerste kennismaking bleek Guus tot mijn verbazing een smakelijke man te zijn van mijn leeftijd. Ik las wel eens een cursiefje van zijn hand in De Telegraaf, en stelde mij daar een sacherijnige oude heer bij voor... Ik bedelde naar zijn gunst: zou hij alsjeblieft een nummer voor mij willen schrijven?

Jawel, dat wilde hij wel. Om dat beloofde nummer te bemachtigen moest ik zijn hospita Nan passeren: Guus woonde met haar samen in een heel klein huis in de Olofspoort. Of het jaloerse liefde van Nan was of opdracht van Guus zelf, iedereen werd van de deur gemept. Briefjes werden niet beantwoord de telefoon werd niet opgenomen. Als je persoonlijk langs ging, zorgde Nan ervoor dat je niet verder kwam dan de deur. Ondanks die belemmeringen lukte het mij binnen te komen. Ik mocht op de enige stoel zitten, terwijl Guus op bed lag. De stoel was Italiaans design, de tafel met marmeren blad was ook van goeien huize, de gordijnen deugden. Maar alles was bedekt met troep, boeken, volle bakken met peuken, paperassen.

Voor tweehonderd gulden kreeg ik na lang soebatten en zachte druk uitoefenen `De Inentingswals' mee, een nummer over ene Dominee Zand. Ik was dolgelukkig het was een enige tekst, maar toen ik ermee zou optreden, stierf de dominee.

Artistieke malveine... Het was wel het begin van een langdurige vriendschap met Vleugel. Hij kwam af en toe eten, afwezig at hij zijn bord leeg.

Guus had bij Wim Sonneveld al fantastische nummers voor Connie Stuart geschreven. Ik mompel nog wel eens grinnikend zinnen uit zo'n lied: `Zij spaart de smeerkaas uit haar mond, die zij zelf zo lekker vond. De moeder, de moeder van het grote gezin'. Connie droeg tijdens dat nummer een waanzinnig fin de siecle-trotteur, ontwerp Friso Wiegersma, terwijl ze in zo'n ellendig ouderwets houten wasrekje stond. Zo'n rekje waarop je vroeger rond de kachel de luiers droogde!

Maar door het schrijven voor Lurelei kreeg Guus steeds meer succes. Iedere premiere was een gebeurtenis waar je handenwrijvend naar uitkeek.

De allermooiste voorstelling was die, waarin Leen Jongewaard vanuit een vuilnisbak het modern toneelrepertoire bezong. In Londen had ik `Beyond the Fringe' gezien, het legendarische cabaret van Peter Cook, daar had Lurelei nog het meest mee te maken. Toen ik waardig werd gekeurd om mee te spelen in `Relderelderel', het laatste programma dat Guus voor Lurelei schreef, kende mijn vreugde geen grenzen. Door mijn bescheiden talent van `bruikbare kracht' en de beperkingen van ons klein taalgebied, was er in mijn cabaretleven maar weinig te halen van de kwaliteit waar ik op tippelde. Voor mij was Lurelei in de jaren zestig het allermooiste cabaret, een voortzetting van de traditie waar ik in dat eerste programma van Jaap van der Merwe `Alle Gekken Kijken' in 1959 van had geproefd.

Tijdens de repetitie kreeg ik te maken met Guus zijn strenge hand het was werken op de postzegel en de vierkante millimeter.

`Hier zit de lach!', riep hij zelfverzekerd, hij had altijd gelijk.

Zijn teksten waren zo betrouwbaar als solide platbodems, je kon er blind op rekenen dat ze werkten.

Na `Relderelderel' kwam musical `De Stunt' een sophisticated musical, erg Amsterdams ook. In het Nieuwe de la Mar-theater liep het best, maar in Rotterdam bleef het publiek weg en werd er gestopt.

Na `De Stunt' ontstond er, ondanks onze affectie voor elkaar, een verwijdering. Ik hoorde van Nan, zijn hospita, dat het hem ook speet, maar volgens hem zou het op een dag wel weer goed komen tussen ons. Van Nan hoorde ik dat Guus somber was, zijzelf was ook niet vrolijk en samen waren ze nogal eens bezig elkaar het graf in te somberen. Bijna verlekkerd vertelde ze hoe ze samen plannen maakten er een eind aan te maken... Pure horror, die ik van me afzette. Tot Guus zijn wanhoopsdaad verrichtte en Nan mij in paniek belde. Ik stond schol te bakken. Ik liet de schol de schol en repte mij met mijn oudste zoon naar hem toe. De GGD werd gebeld, het was allemaal op het nippertje, maar hij haalde het...

Hij ging zijn depressie te lijf bij een psychiater, hetgeen niet veel opleverde. De gesprekken eindigden altijd met een verhandeling over Proust, waar Guus als geen ander alles van afwist... Gelukkig vond hij een betere therapeut die hem weer een heel stuk overeind hielp.

Cor Hezemans, een vriend die van hem zegt: `Guus is een van de referentiekaders in mijn leven geweest', vertelde dat hij Guus, om hem in zijn depressie een beetje op te monteren, in de auto meenam naar een voorstelling in Utrecht. Guus vroeg hem: `Hoe oud moet je zijn voor de WW?'

Cor: `Je bedoelt zeker de AOW. Daar moet je vijfenzestig voor zijn'.

Stilte. Dan Guus: `Als ik ze nou eens schrijf, dat ik me vijfenzestig voel?'

We trokken in die jaren van zijn, ook creatieve, depressie steeds meer met elkaar op. Ik kookte voor hem, voor het eerst scheen hij te merken wat hij at. Hij had nogal eens griep of een kou, dan bracht ik hem een pan met iets warms. Met een doek om zijn hoofd nam hij het door een kier in de deur aan, hij wilde mij niet besmetten. Hij begon aan een roman, `Het Schuldgevoel'. Ik speelde in 1975 bij de Noorder Compagnie in Drachten, reisde heel het land door en sleepte Guus met me mee. Dan bracht ik hem veertien dagen in het Eemhotel in Delfzijl, of naar hotel `De Treek' in Leusden, waar hij op een zolderkamertje aan zijn boek zat te schrijven. Als ik in de buurt kwam haalde ik hem weer op. Hij klemde het enorme schrijfschrift met de roman onder zijn arm en daar gingen we weer, terug naar Amsterdam.

Ik schreef in een slapeloze nacht een liedje. Guus moest erg lachen om dat naieve vers en riep: `Jij moet een muzikale show schrijven!' Ik, voor wie Guus' woord wet was, nam dat serieus. Ik schreef een show, waarin ik alle muzikale stijlen in de popmuziek gebruikte om mijn versjes vooruit te krijgen. Guus werd aangesteld als artistiek supervisor, mijn man Ruud Bos maakte de muziek, zo ontstond `Moeder en haar jongens'. Tijdens die samenwerking knalde de zweep van Guus' kennis en discipline over mijn baldadige rug.

De show was een flop. Maar ik had niet op succes gerekend. Anticiperend op eventuele slechte kritieken had ik alvast de dag na de premiere voor de lunch een tafeltje bij `De Oesterbar' gereserveerd voor ons tweeen, zodat we daar op ons gemak de kritieken konden savoureren.

Daar zaten wij en lazen het ene doodsbericht na het andere. `Het is geen cabaret', schreef men.

En: `Er loopt geen rode draad door'. Nee, dat was ook niet de bedoeling. Het was de bedoeling dat vooral Bill van Dijk zou laten horen hoe je Nederlands kon zingen op een manier die in de popmuziek gewoon is.

We dronken erg veel Chablis en aten oesters. Gierend van de pret overwogen we om ons aan een paraplu in de Keizersgracht te laten zakken om daar roemloos kopje onder te gaan... Maar uiteindelijk bedwongen we met grote koppen koffie de drank en leefden verder. Ik speelde nog zeventig keer `Moeder en haar Jongens' en Guus tobde verder. Ik schreef verder en hij wees mij de weg. Mijn eerste verhalenbundel `Liefde en Haat' redigeerde hij. Meedogenloos selecteerde hij alles. `Dit is goed', riep hij. `En dit is leuk voor de Libelle!' Humorloos luisterde ik naar hem en legde het gewraakte verhaal terzijde. Toen later de Libelle aanklopte om een verhaal van mijn hand zond ik het schaamteloos toe. Ze namen het.

Hij schold als hij het niet goed vond. En hij prees als hij het wel bevond. Ik luisterde gretig hing aan zijn lippen en leerde snel. `Op een dag', zei hij, `hoef ik je niet meer te redigeren. Dan kan je het zelf'.

Toen kwam Ton Vorstenbosch in zijn leven. Ton trok bij Guus in. Guus knapte op hij wilde plotseling zijn keuken inrichten. We gingen samen dure pannen kopen en ik zou demonstereren hoe je een lekkere aardappelschotel kon maken. Er waren uitsluitend aardappelen en een half pakje margarine in huis.

Ik schudde mijn hoofd en deed iets onmogelijks met die aardappelen: water, zout en peper en een klont margarine, zo kwam er iets eetbaars uit de oven. Vervolgens ging Ton koken. Hij kende een recept: kip. In de oven. Dat maakte hij dagelijks, tot het hen de neus uitkwam.

Ton: `Ik ben er zelfs een keer in geslaagd die kip koud uit de oven te laten halen! Toen zijn we ermee gestopt, we konden het niet.'

Ton was voor Guus het panacee voor alle kwalen. Tons vitaliteit en gevoel voor drama, zijn eruditie en vrolijke natuur naast Guus' rare originele kijk op de dingen, zijn vermogen om altijd een stap vooruit in de tijd te maken: dat leverde heel wat op. Hun relatie was uniek en gelukkig. Hij had mij niet meer nodig. En ik hem eigenlijk ook niet.

Onze vriendschap was uitgewerkt, klaar. Hij heeft mij tot schrijven aangezet, me geleerd eigenwijs te zijn, te verdedigen wat ik te verdedigen heb. Hij is jarenlang ook mijn referentiekader geweest. Bij de premiere van Srebrenica was ik opgetogen, dit was de oude precieze genadeloze toon weer. Ik joeg iedereen die maar luisteren wilde erheen...

Af en toe kwam ik hem tegen, op straat. We hadden elkaar niets meer te zeggen. Het speet me een beetje, want ik heb met weinig mensen zo gelachen als met Guus. Mijn kinderen zeiden: `Jullie zaten altijd te lachen met z'n tweeen...'

Hij stierf zoals hij leefde, dapper, in Tons armen. In zijn kapotte lichaam bleef de geest helder. Ton: `Je kent hem toch, tot het laatst bleef hij vitterig zich afvragen, of het nu wel direct zou werken...'

`The song is ended, but the melody lingers on.' Of om het in Guus' eigen woorden te zeggen: `Zolang ze nog praten over mij zitten er krenten in de rijstebrij.'