Eindelijk duidelijkheid; Pensioenfondsen en hun beleggingen in de eurozone

Voor onze pensioenen is de komst van de euro goed en slecht. Slecht omdat we door de euro indirect last kunnen krijgen van beroerde pensioenregelingen elders in Europa. Goed, omdat de pensioenfondsen meer vergelijkingsmogelijkheden krijgen voor hun beleggingen. Volgens de beheerders overweegt het voordeel.

Bijna nergens wordt de komst van de euro zo verwelkomd als bij de grotere pensioenfondsen in Nederland. De beleggers die Europa al jaren als hun speelveld zien worden eindelijk bevrijd van de lastige valutaire belemmeringen waardoor behalve de belegging ook de lokale munt nauwlettend in de gaten gehouden moest worden.

Toch zijn er ook zorgen rond de eenheidsmunt. Want hoe zullen de problemen rond de pensioenen in bijvoorbeeld Frankrijk en Italie uitpakken? Wanneer de elf landen die aan de euro deelnemen hun pensioenvoorzieningen op het niveau van Nederland willen krijgen is niet minder dan 5.000 miljard euro nodig. En vanaf 1 januari is dat onheilspellende probleem ook een beetje van ons: de euro is volgens de campagne van de overheid immers van ons allemaal.

“Het grootste probleem is nog dat we niet precies weten waar we bang voor moeten zijn', stelt directeur Jos van Niekerk van Unilevers pensioenfonds Progress. “Elk land heeft zijn verplichtingen op zijn eigen manier in kaart gebracht, met eigen aannames, en daardoor kent niemamd de precieze omvang van het Europese probleem. Toch zijn we met z'n allen in het eurobootje gestapt.'

De gepensioneerden in andere Europese landen zullen weliswaar geen beroep doen op de Nederlandse kassen, maar toch zal ook Nederland worden geraakt wanneer de komende jaren de vergrijzing toeslaat. Nu `onderhouden' tien premiebetalers in Europa drie 65-plussers, maar over 50 jaar zijn dat zes 65-plussers. Nog een cijfer om het benauwd van te krijgen: pensioenpremies in Italie bedragen nu al gemiddeld 40 procent van het brutoloon en dat percentage zal over 50 jaar zonder beleidswijziging meer dan 70 procent bedragen.

“Doordat in veel landen alleen een omslagstelsel bestaat (pensioenpremie wordt niet belegd, maar komt direct ten goede aan gepensioneerden, red) moeten werkgevers en werknemers door het groeiend aantal gepensioneerden steeds meer premie betalen, en daardoor wordt alles duurder', aldus Van Niekerk.

En die inflatie - een gruwel voor pensioenfondsen - importeren wij vervolgens door de intensieve handel binnen de Europese Unie. “Door het pensioenprobleem wordt een Fiat misschien wel net zo duur als een Mercedes. En devalueren is binnen het eurogebied niet meer mogelijk.'

Niet alleen vanwege de vergrijzing maakt Van Niekerk zich zorgen over de pensioenlasten. Ook het ontbreken van snelle oplossingen kan Europa opbreken. “Om de pensioenstelsels aan te passen heb je verschrikkelijk veel tijd nodig. Systemen die in de verre toekomst te duur worden moet je nu dus veranderen. Behalve aan de opbouw van kapitaal voor toekomstige pensioenen kan je bijvoorbeeld denken aan terugbrengen van de rechten. Stel dat je de leeftijd naar achteren wilt schuiven, van bijvoorbeeld 65 naar 67 jaar. Als dat ooit bij ons aan de orde zou komen zou de invoering maar liefst 24 jaar kosten: elk jaar schuift de pensioengerechtigde leeftijd een maand op', aldus Van Niekerk, die de Nederlandse pensioenfondsen vertegenwoordigt in het Nationaal Forum voor de Euro. “Het is allemaal wel op te lossen, maar dan moeten we er nu aan beginnen.'

Alle problemen over de Europese vergrijzing ten spijt ook Van Niekerk omarmt de euro. “Vanuit het oogpunt van beleggen is het natuurlijk perfect dat het valutaprobleem binnen de eurozone wegvalt. Door de omvang van de Nederlandse pensioenvoorzieningen is het beleggingsresultaat verschrikkelijk belangrijk geworden: elke procent dat ons beleggingsresultaat daalt, scheelt dat 12 procent van de loonsom extra aan premie.'

Het wegvallen van valutarisico's zorgt ervoor dat beleggers zich gemakkelijk buiten de eigen landsgrenzen kunnen bewegen. Aanvankelijk werd zelfs aangenomen dat de komst van de euro tot grote kapitaalverhuizingen zou leiden.

En door de relatief grote omvang van de Nederlandse pensioenfondsen zou dat nadelig zijn voor de Amsterdamse effectenbeurs. Voor grote klappen hoeft echter niemand te vrezen, stelt Van Niekerk van Progress, die (eind 1997) circa 8 miljard gulden beheert.

“Bij de meeste pensioenfondsen zal de nadruk inderdaad meer op Europa komen te liggen maar dat is een proces van jaren. Van onze beleggingen in aandelen is nu 40 tot 45 procent van Nederlandse origine. Op de langere termijn zal dat in de richting van de 30 tot 35 procent uitkomen.' Meer nadruk op de opkomende markten (Azie, Latijns Amerika) zit er volgens Van Niekerk niet in. “In die gebieden beleggen we in feite al via de multinationals. Via ABN Amro zit je ook in Brazilie.'

Voor het beleggingsbeleid bij het ABP, met een belegd vermogen van 270 miljard gulden het grootste pensioenfonds van Nederland verandert er met de komst van de euro heel weinig. “Wij waren toch al te groot voor Nederland', stelt Jelle Mensonides, directeur aandelen. “Europa is onze thuismarkt.' Van de aandelenbeleggingen heeft het ABP momenteel 30 procent in Nederlandse aandelen gestoken. “Op termijn zullen we de helft beleggen in bedrijven binnen het eurogebied en de andere helft in de rest van de wereld.'

Ook Mensonides is niet bang dat de euro zal leiden tot een plotseling en massaal vertrek van Nederlandse institutionele beleggers uit Amsterdam. “Veel Nederlandse bedrijven zoals Ahold, Wolters Kluwer en Philips, zijn erg populair in de Verenigde Staten. Zolang die fondsen het goed blijven doen, zie ik geen enkel probleem. Maar door de euro wordt het wel sneller duidelijk dat een Nederlands beursfonds bijvoorbeeld gemiddeld duurder is dan een Duits beursfonds en dan kan de belegger voor de goedkoopste kiezen.'

Net als andere grote beleggers heeft het ABP al jaren geleden gekozen voor de zogeheten sectoraanpak in plaats van de landenbenadering. “Daar verandert de komst van de euro niets aan. Het gaat vooral om de sector waarin een bedrijf actief is, maar het land waar het concern is gevestigd kan wel op de achtergrond een rol spelen: wanneer wij uitgesproken pessimistisch zijn over de macro-economische situatie in Italie zullen we niet in een Italiaans beursfonds investeren. Maar is de multinational Nestle in de praktijk nog een Zwitsers bedrijf te noemen?'

Mensonides denkt dat de euro vooral op de langere termijn gevolgen zal hebben voor het internationale beleggingsklimaat. “De munt gaat als een katalysator werken. Doordat de grenzen wegvallen zullen bijvoorbeeld ook de Duitse en Franse bedrijven meer aan aandeelhouderswaarde moeten gaan denken. Nu nog is beleggen voor particulieren in die landen relatief onbekend. Een gevolg van die aandacht voor aandeelhouderswaarde is een grotere transparantie, wat wij momenteel in de discussie rond de corporate governance trachten te bereiken. Het is geen toeval dat een concern als de Deutsche Bank vorige week heeft besloten om de industriele belangen af te splitsen en zo meer duidelijkheid te verschaffen. Internationale beleggers vragen om die duidelijkheid.'

Mensonides geeft toe dat de inflatie binnen het eurogebied op de langere termijn nog onzeker is. Niet alleen als gevolg van de problemen met de pensioenstelsels in andere landen, maar bijvoorbeeld ook door de poging van de Duitse minister van Financien, Lafontaine, om invloed te krijgen op het rentebeleid van de Europese Centrale Bank. “Ondanks zo'n oprisping ben ik niet pessimistisch.

Ik heb er bijvoorbeeld alle vertrouwen in dat de Europese Centrale Bank haar huidige strakke beleid voortzet. En de vorming van de eurozone heeft ook een prijsdempend effect: door de Europese concurrentie wordt het voor de sociale partners zeer duidelijk dat hogere lonen direct tot werkloosheid leiden.'

Toch zal het wel even duren voordat de eurozone echt als een gebied kan worden beschouwd benadrukt Van Niekerk van het pensioenfonds van Unilever. “Kijk maar eens naar de verschillen in de rapportage van de cijfers. Het is nog steeds een probleem om de jaarverslagen van Europese bedrijven te vergelijken. Gelukkig zijn steeds meer Duitse bedrijven van plan om naar Wall Street te gaan en dan moeten ze de Amerikaanse normen naleven.'

Toen Daimler die stap in 1993 maakte, werd nog eens duidelijk hoezeer de nationale boekhoudsystemen verschillend zijn: een kleine winst in marken (over de eerste zes maanden van 1993) sloeg om in een dollarverlies van ruim 1 miljard. “Hier ligt een belangrijke taak voor financiele analisten om die verschillen goed te belichten', stelt Mensonides.

Een ander middel om het beleggen op Europese schaal te promoten is volgens de belegger van het ABP een brede index. “Er wordt nu voortdurend gesproken van een index met 300 Europese bedrijven. Wij zien liever een index waarbij 500 ondernemingen worden betrokken. Voor beleggers is een brede spreiding van belang en op deze manier kunnen meer bedrijven `in de eerste koets' plaatsnemen. Dat belang moet je niet onderschatten.'

Berichten dat de komst van de euro de eerste weken de beurshandel zou verlammen, noemt Mensonides een fabeltje. Institutionele beleggers zouden alleen de hoogst noodzakelijke handelingen verrichten om op die manier de risico's rond de nieuwe munt te beperken.

“Wij zijn professionals en kunnen het ons dus niet veroorloven een paar dagen buiten beeld te zijn.'

De Europese belegger komt er wel, maar of de Europese pensioentrekker snel zijn intrede zal doen is zeer de vraag. “Wanneer een Nederlandse werknemer naar Duitsland gaat, wordt hij verplicht om ook tot het Duitse stelsel toe te treden. Door de verschillen in de pensioensystemen functioneert ook de waardeoverdracht niet', aldus Van Niekerk. “Binnen Unilever lossen wij het probleem op door zijn pensioenrechten toch door te laten groeien, alsof de werknemer nog in Nederland zijn salaris verdient. Tegelijkertijd zijn we dan wel vaak verplicht om ook nog in een wettelijk pensioensysteem in het buitenland te betalen. Dergelijke problemen zouden in het huidige Europa eigenlijk niet meer mogen bestaan.'