Vondelpark en Opera

Staatssecretaris Van der Ploeg - politicus en econoom - wil de subsidies voor kunst anders besteden. Meer voor jongeren, minderheden en voor de goede zaak van de Europese integratie. Meer voor het een betekent tenminste in relatieve zin, minder voor iets anders. In zijn toespraken wijst Van der Ploeg dan vaak op de hoge subsidies voor de Nederlandse Opera. Het onderwerp is belangrijk, en de politieke discussie moet natuurlijk beginnen met de vraag waarom het gerechtvaardigd is om belastinggeld in te zetten voor opera, symfonieorkest of ballet. McDonalds wordt niet gesubsidieerd, waarom de Muzen dan wel?

Liefhebbers van klassieke muziek kennen het antwoord van Franz Schubert, in het eerste couplet van zijn ode aan de kunst:

'Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden / Wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt / Hast du mein Herz zu warmer Lieb entzunden / Hast mich in eine bess're Welt entruckt!'

Laat inderdaad de kunst ons hart verwarmen en een venster openen op een betere wereld, toch blijft de vraag waarom daar belastinggeld aan te pas moet komen. Kan iedereen niet zelf betalen om de 'graue Stunden' af te wisselen met een bezoek aan concertzaal of opera? Voorstanders van subsidies voor de podiumkunsten moeten dus zoeken naar sterkere argumenten om dure kunst met recht te subsidieren. Ook oud-minister Koos Andriessen worstelt daarmee in zijn artikel in NRC Handelsblad van 12 december jl., en geeft toe dat de “gangbare redenen voor overheidssubsidie economisch problematisch zijn'. Hij geeft een paar specifieke suggesties voor de musea die misschien extra geld kunnen verdienen op het Internet. Maar dat lost het principiele punt nog steeds niet op. Waarom zouden burgers die zelf toevallig een voorkeur hebben voor ongesubsidieerde popmuziek mee moeten betalen aan de opera?

Van der Ploeg denkt een antwoord te vinden door de subsidies te politiseren. Hij wil de subsidies koppelen aan resultaten ten behoeve van minderheden of Europese idealen. Als Leonardo da Vinci met zijn Mona Lisa naar Van der Ploeg was gekomen, dan had de politicus er dus op gewezen dat links of rechts onder in het schilderij nog best ruimte over was voor een pictorale verwijzing naar de vreselijke kindersterfte in Florence, of het gebrek aan politieke eenwording in Italie. Zonder twijfel was de Mona Lisa dan een politiek waardevoller schilderij geworden.

Maar zo horen politici niet om te gaan met kunstenaars.

Op mijn kerstkaart aan de staatssecretaris heb ik een citaat gekopieerd van de Engelse toneelschrijver en tv-acteur Alan Bennett (Dagboek van 8 november 1993): “The Government is preparing to sell off the forests and nature reserves. I wonder whether it ever occurs to the fourteen-year-olds who staff the Adam Smith Institute that such seemingly unrelated policies have something to do with the rise in crime and civil disorder generally. Paid to think the unthinkable, do they not see that unless the State is perceived as benevolent - a provider of amenities, parks, art, transport even - how should it demand respect in its presecriptive and law-giving aspect?'

Een prachtig citaat van een populaire schrijver die Rick van der Ploeg ongetwijfeld weet te waarderen, ondanks de unfaire verwijzing naar Adam Smith. De grondlegger van de moderne economie contrasteert in 'The Wealth of Nations' subsidies voor kunst met subsidies voor de landbouw. Hij is voor het een maar tegen het ander. Belastinggeld voor boeren verstoort de economie, maakt het leven duurder en verhindert een efficiente bestemming van de grond. Financiele steun voor de beste kunstenaars strekt tot lichtend voorbeeld voor mindere artiesten en ambachtslieden die zich eraan kunnen spiegelen en hun eigen werk kunnen perfectioneren. Het is een gotspe om te beweren dat economen tegenstander moeten zijn van subsidies voor de kunsten. Adam Smith wist echt al beter.

Maar Alan Bennett geeft het goede argument om belastinggeld te besteden, namelijk dat de postzegels er goed uitzien, stadhuis en paleis er pront bijstaan en het land ook voor wat betreft natuur en kunst kan rivaliseren met de buurlanden.

Het cruciale woord is 'respect'. Daarom is het bijvoorbeeld ook goed dat nu 'Victory Boogie-Woogie' van Piet Mondriaan in Den Haag hangt. Hans Jaffe besluit immers zijn standaardwerk over de schilder met deze conclusie: “in ieder geval is 'Victory Boogie-Woogie' het schilderij waarmee de naoorlogse ontwikkeling van de schilderkunst inzet en dat een jongere generatie thans de weg wijst in de richting die Mondriaan steeds de enig verkieslijke vond: 'steeds verder'! Dan tonen wij respect aan Mondriaan en aan onszelf door 'Victory Boogie-Woogie' met publiek geld op te kopen uit prive bezit en weer toegankelijk te maken voor volgende generaties'.

In een gelukkig land willen burgers de staat kunnen respecteren en dus moeten natuur en cultuur en goed uitzien. In het midden van onze Gouden Eeuw vonden de burgers van Amsterdam dat respect voor hun rijke stad een mooi nieuw stadhuis vereiste. Twee eeuwen later wilde Amsterdam een concertgebouw met dezelfde akoestiek als in Wenen. Burgers toonden respect voor de kunst; dankzij de kunst blijft de staat het respect verdienen van de burgers. Zo heeft Rotterdam een orkest waar Valery Gergiev komt dirigeren, en is Den Haag gastvrij voor Hans van Manen en Jiri Kylian. En als 200 jonge mensen uit heel Europa auditie doen voor een paar leerling-plaatsen bij het Nederlands Dans Theater, of wanneer Truze Lodder van de Nederlandse Opera vertelt dat grote regisseurs en zangers het een eer vinden om voor een laag honorarium in Amsterdam te werken, dan is dat meer dan het succes van een toevallige onderneming. Dan straalt respect af op het land dat gastvrijheid verleent aan hoge kunst.

Respect voor de natuur is tegenwoordig populair bij politici en belastingbetalers.

In het Regeerakkoord van het Kabinet Kok-II staat moeiteloos een miljard voor extra natuurgebieden. Kritiek is mogelijk op de invulling - waarom willen sommigen in een klein, dicht bevolkt land altijd maar weer grond onder water zetten? - maar respect voor de natuur is onomstreden. Maar als grote subsidies voor 'Natuurmonumenten' terecht zijn, dan zeker ook een twintig maal kleinere subsidie voor de Nederlandse Opera. Amsterdammer Rick van der Ploeg stelt terecht niet voor om de dure grond van het Vondelpark te verkopen aan de hoogstbiedende. Een kostbare maar correcte beslissing, die Nederland naar schatting per jaar ongeveer 40 miljoen gulden 'kost' door de combinatie van niet-ontvangen rente op de verkoop van het park en feitelijk betaalde kosten voor het onderhoud. Laat nu toevallig de Nederlandse Opera even duur zijn. Van der Ploeg zal Vondelpark en Opera allebei even liefhebben en moet ophouden zich te generen voor de een, aangezien hij zich zeker ook niet geneert voor de ander.