Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Human interest

Lezen moet een feest zijn; RO theater speelt 'Hondje' van Daniel Pennac

De boeken van Daniel Pennac verschenen bij uitg. Ploegsma en uitg. De Brink.

De voormalige onderwijzer Daniel Pennac is de bedenker van de romanfiguur Hondje, geboren aan de zelfkant en gered door een verwend en halsstarrig meisje. Deze week gaat bij het RO theater een familievoorstelling over Hondje in premiere.

Daniel Pennac heeft de oogopslag van een vermoeide, wat treurige bassethond. Zo eentje die na een hard leven zijn oude botten wel eens rustig zou willen uitstrekken voor een knapperend haardvuur, maar daar steeds niet toe komt. Om de vijf minuten rinkelt de telefoon in het huis van Pennac, die in een steil straatje van Belleville woont, de oude wijk in Parijs waar je op een vierkante kilometer bijna alle nationaliteiten van de wereld bij elkaar vindt. De huizen aan de ene kant van het straatje zijn dichtgespijkerd. Aan de andere kant gapen stoffige gaten, waar bulldozers de laatste hand leggen aan hun sloopwerk. “Over een jaar of vijf is deze kleine planeet veranderd in zo'n trendy rive gauche wijk' zegt Pennac zuchtend, “dan verhuis ik naar Marseille. Daar heb je nog van die echte multiculturele wijken zoals Belleville vroeger was.'

Op de een of andere manier is het heel voor de hand liggend dat de figuur van Hondje zestien jaar geleden in deze omgeving werd bedacht. In zijn kinderboek Cabot-caboche (letterlijk Hond-stijfkop, in het Nederlands vertaald als Hondeleven), beschrijft Pennac hoe Hondje, geboren aan de zelfkant van de hondenmaatschappij, lijdt onder de grillen van zijn koppige bazinnetje en met behulp van zijn vrienden, bastaardhonden net als hij, het hoofd boven water weet te houden.

Toch is het verhaal van Hondje geen metafoor voor het leven in Belleville, vertelt Pennac (54), de zeer populaire schrijver die wel de Franse Roald Dahl wordt genoemd. “Het is veel realistischer. Mijn broer en ik vonden op een dag een kaal, gewond, half-dood hondje waarop geschoten was. Iemand had hem willen vermoorden. We namen hem mee naar huis, gaven hem de fles en hij overleefde het.

De rest van zijn leven is die hond ons zo dankbaar geweest, dat wij er verlegen van werden. Alsof hij maar niet kon geloven dat hij nog leefde.'

Ook Meisje, het koppige kreng dat haar ouders een hond afdwingt om na een tijdje niet meer naar hem om te kijken, is uit Pennacs leven gegrepen. “Ik had een leerling die haar evenbeeld was. Pomme heette ze. Ze kon fantastisch leren, vertelde prachtige verhalen maar was ontzettend gemeen. Ach, op die leeftijd zijn het allemaal kleine anarchisten. Ze zijn onschuldig, zelfs als ze iets pervers of iets wreeds doen. Dat is hun charme. Kinderen kun je nog tot rede brengen en bewust maken van het verschil tussen goed en kwaad. Voor de ouders van Meisje is het te laat. Dat zijn volgevreten pathologische imbecielen met een hoofd vol vooroordelen, net zoals de ouders van Mathilda in het gelijknamige verhaal van Roald Dahl.'

Vuilnisbelt

Pennac streeft ernaar in zijn boeken zoveel mogelijk beelden op te roepen en juist daarin is Hondje, de familievoorstelling van het Ro-theater volledig geslaagd. Hondje was bij zijn geboorte te lelijk om te worden verkocht en overleeft ternauwernood een poging hem te verdrinken. Hij groeit op aan de rand van een vuilnisbelt en trekt naar de stad, op zoek naar een bazinnetje. Daar belandt hij via het net van een hondenvanger in het asiel, waar hij voor de tweede keer aan de dood ontsnapt en al zijn vrienden verliest - een hartverscheurende scene. Nadat Hondje is gered door Meisje doen haar hilarisch domme ouders er alles aan om zo snel mogelijk weer van Hondje af te komen. Hondje en Meisje hebben dikke pret aan het strand, maar er komt een moment dat Meisje haar poppen weer interessanter vindt dan haar hond; en dat pa en ma hem dumpen, gewoon aan de kant van de snelweg richting Saint-Tropez.

Dan vindt Hondje het tijd worden voor wraak.

De bewerking van Rieks Swarte en Mark Rietman is een aaneenschakeling van inventief vormgegeven, tragische en kolderieke momenten, waarvan sommige branden op je netvlies. Poppenspelers en acteurs laten honden rollebollen over het toneel, de tekst is uitermate geestig en de muziek van Fay Lovsky zorgt in sommige scenes voor een nostalgische ambiance. Het stuk heeft een hoog tempo, iets wat Pennac zou waarderen, al heeft hij zelf geen enkele bemoeienis gehad met de toneelbewerking.

Een van de geestigste scenes - die van de familie met Hondje aan het strand van de Middellandse Zee - roept associaties op met Les grandes vacances uit 1991, een fotoboek waarvoor Pennac de tekst schreef bij strandfoto's van de beroemde Franse fotograaf Robert Doisneau, met wie hij bevriend was. In de toneelscene wordt het gezin als instituut fors op de hak genomen (vader tracht voor de ogen van moeder jonge schone te verleiden), terwijl de strandfoto's van Doisneau juist de idylle van het gezinsleven vertolken (strandhoeden aan zee broertjes met visnet).

“Een gelukkig gezin is iets paradijselijks' zegt Pennac, “maar aan de andere kant is er ook niets vreselijkers dan een mislukt gezin. In Hondje zijn de ouders ronduit imbeciel, maar dat maakt van mij nog geen vijand van het gezin. Ik kon het uitstekend vinden met mijn ouders en mijn drie broers. Dankzij haar avontuur met Hondje wordt Meisje niet zoals haar vader en moeder. Determinisme binnen de familie gaat niet op, dat heb ik in dertig jaar onderwijs wel geconstateerd.'

Als schrijver, onderwijzer en docent Frans ontwikkelde Pennac een even omstreden als originele visie op taal en literatuuronderwijs, waartoe Hondeleven, zijn eerste kinderboek uit 1982, in feite het startsein gaf.

“Kinderen haken meteen af als een boek hen niet boeit. Als je wilt leren verhalen te schrijven, zoals ik jaren geleden, kun je dus het beste beginnen met verhalen voor kinderen. Dat is de hardste leerschool. Je verhaal moet een bepaald ritme hebben en een compositie zonder uitweidingen. In eerste instantie zijn kinderen natuurlijk gegrepen door het verhaal, de anekdote, maar al gauw zien ze ook de diepere zin ervan. Een kinderboek is pas echt goed als het eerst stiekem door de ouders wordt gelezen.'

De serie kinderboeken rond de schooljongen Kamo ontstond uit een spel dat Pennac speelde met zijn leerlingen. In Kamo en het idee van de eeuw maken kinderen van groep 8 zich zorgen over hoe het zal zijn in de brugklas, het volgend jaar. Om hen goed voor te bereiden verbeeldt hun lievelingsleraar daarop allerlei verschillende leraarstypen, van joviaal tot superstreng. Hij blijkt echter zo in zijn rollen op te gaan dat Kamo een list moet verzinnen om de geliefde leraar weer tot zichzelf te laten komen. Ook de andere boeken uit de Kamo-serie gaan op een ludieke en originele manier over het schoolleven, over verliefdheid, over vaders die dood gaan en moeders die naar verre landen reizen.

Pennac: “Als docent probeerde ik mijn opdrachten aan mijn leerlingen altijd zo te formuleren, dat het geen opdrachten leken. Ik begon bijvoorbeeld een verhaal te vertellen over jongens die graag snel groot wilden zijn - dat riepen mijn leerlingen de hele dag: op een ochtend werden die jongens wakker en ontdekten ze dat ze in volwassenen waren veranderd. Hun ouders waren kinderen geworden. Midden in het verhaal - ze hingen aan mijn lippen - stopte ik en vroeg ze het verhaal verder af te maken.

Zij in drie bladzijden, ik in dertig. Uiteindelijk leidde dat spel tot het verhaal gepubliceerd onder de titel Kamo en ik.'

Pennac, die onlangs het leraarschap inruilde voor een full-time schrijversbestaan, is ervan overtuigd dat onderwijs voor een groot deel kan bestaan uit spel. “Je moet het alleen wel serieus spelen, zonder uit het oog te verliezen dat kinderen uiteindelijk moeten leren lezen en schrijven. Fantasie kan daar een uitstekend middel bij zijn.' Dictees gaf Pennac in de vorm van verhalen waarin de leerlingen zelf een rol speelden en waarin toch alle grammaticale moeilijkheden verwerkt zaten. Bij kinderen kun je leesplezier en interesse in literatuur het beste aanwakkeren door het 'voor jezelf lezen' te combineren met het hardop voorlezen van romans in de klas. “Je moet van lezen een feest maken', vindt Pennac, “nog regelmatig word ik door leraren gevraagd boeken te komen voorlezen. Dan kies ik fragmenten van Roald Dahl, Gabriel Garcia Marquez of Patrick Susskind. Kinderen vinden het altijd leuk voorgelezen te worden. Ze stellen vaak vragen, behalve vlak voor de pauze. Soms valt er een in slaap. Dat is een reflex uit de tijd dat zijn ouders hem nog voorlazen op de rand van zijn bed. Je moet zo'n kind vooral niet wakker maken. Als hij ontwaakt en wil weten wat hij heeft gemist, geef ik hem het boek, om thuis te lezen.'

Kruistocht

In zijn bestseller In een adem uit (over het geheim van het lezen) formuleerde Pennac, onnavolgbaar komisch en toch bloedserieus, de tien onaantastbare rechten van de lezer. Hij rekende ook voor dat het helemaal niet zoveel meer tijd kost om een roman hardop te lezen. Met een gemiddelde van 40 bladzijden per uur, kun je in 10 uur een boek van 400 bladzijden lezen.

“Het is belangrijk dat kinderen zien dat een boek geen oneindig dik ding is', benadrukt Pennac. Een kruistocht tegen de grote concurrent van het lezen acht hij zinloos. “Verbied een kind vooral niet tv te kijken. Je kunt hem als docent beter vragen een opstel van drie kantjes te schrijven over wat hij heeft gezien, dan krijgt hij vanzelf een hekel aan de tv.'

Ook verleiding kan in het onderwijs heel goed werken, vindt Pennac: “In voorsteden van Parijs heb je vaak te maken met kinderen die in sociaal-cultureel opzicht zo verwaarloosd zijn, dat ze ervan overtuigd zijn dat ze helemaal niet met cultuur in aanraking willen komen. Ze beschouwen je als iemand die hen, tegen hun zin, iets komt opdringen. Als je hen gelooft, ontmoedigd raakt of met traditionele onderwijsmethoden op hen inhamert, zijn ze voorgoed verloren. En jij ook als docent. Onderwijs begint bij het neerhalen van de muur van angst. Ik weet wel dat er anderen zijn die juist beginnen met het opwerpen van zo'n muur, maar angst maakt mensen dom. Je moet mensen altijd eerst op hun gemak stellen en dat geldt zeker voor leerlingen. Soms lijken jongens die er lamlendig onderuit gezakt bijzitten heel ontspannen, maar daar moet je niet intrappen. Dat is geen rust, dat is agressiviteit. Zelf was ik een hele slechte leerling en ik ken de pijn die dat veroorzaakt maar al te goed. Die afschuw van jezelf uit zich in agressie tegen de instituties tegen de mensen om je heen.'

Behalve kinderboeken en essays schreef Pennac ook vier detectives (ook wel polars genoemd) die in Frankrijk zo succesvol waren dat er binnen het genre sprake was van een Pennac-effect. De helden van Pennac zijn geen doorgewinterde boeven of stoere rechercheurs, maar eerder kwetsbare, wat onzekere personages die zonder veel illusies de strijd aanbinden tegen de absurditeit van het bestaan.

Monsieur Malaussene bijvoorbeeld, titelheld van Pennacs vierluik (dat in januari een vijfluik wordt) is 'zondebok' van beroep en vangt voor zijn klanten letterlijk de klappen op. In zijn kielzog volgt een parade van kleurrijke personages en vreemde avonturen, waarbij de auteur zijn fantasie de vrije loop heeft gelaten.

“Tussen het sprookje voor kinderen en de detective bestaan grote overeenkomsten', zegt Pennac, “al nemen mijn collega-'polar'schrijvers het mij niet in dank af als ik dat zeg. In de Amerikaanse polar uit de jaren vijftig doet de held allerlei geweldig gevaarlijke dingen die wij zelf niet zouden overleven. Dat is net zoiets als de fee die met haar toverstokje haar beschermeling redt. Magie speelt in beide genres een grote rol.

“In de tweede plaats gaan beide uit van sociologische feiten die een andere vorm hebben aangenomen. In Klein Duimpje kunnen arme boeren hun kinderen geen eten meer geven, omdat de lokale heer zijn schuld aan hen niet voldoet. Dus stuurt vader zijn kinderen het bos in. Net zo realistisch als wat er gebeurde in de Amerikaanse polar in de tijd van de grote verstedelijking. Arme Italianen uit immigrantenwijken in steden als Chicago stuurden hun kinderen ook zonder pardon de straat op.'

Karikatuur

Uit alles blijkt dat Pennac een geengageerd schrijver is, zonder overigens lid te zijn van een politieke partij en zonder te willen moraliseren. “Ik geef geen lessen aan mijn medemens en ik wil niemand bekeren. Wel vind je in mijn romans een gedragsmoraal. Mensen worden er afgerekend op hun daden, niet op hun principes. De karikatuur uit mijn romans richt zich tegen valse waarden, schijnheiligheid in de politiek en leugenachtige redevoeringen van schoften die het een zeggen en achter onze rug precies het tegenovergestelde doen.

Ik hoorde vanmorgen op de radio dat de Nobelprijs voor de Vrede mede wordt gefinancierd door investeringen in de wapenindustrie! Als ik dat in een roman had geschreven, had iedereen gezegd dat ik weer eens op tilt was geslagen. In mijn nieuwe roman, die op 13 januari verschijnt, wordt Therese Malausene, (een niet zo snugger personage uit Pennacs vorige romans), om de tuin geleid door een enarcque (ex-student van de Ecole Normale d'Administration, de prestigieuze hogeschool waar veel politici hun opleiding krijgen). Deze man lijkt belangeloos aan liefdadigheid te doen, maar is in wezen een wapensmokkelaar. Toen mijn roman af was, vond mijn uitgever dat ik wel weer erg veel fantasie had gehad. Maar zo zie je, de waarheid is altijd vreselijker dan een romanschrijver bedenken kan.'

Een ander onderwerp waarover Pennac zich kan opwinden is de verontrustende sociale situatie in de banlieues (voorsteden). “Cultuur begint met het wisselen van een paar woorden als je een baguette koopt bij de bakker, of een camembert bij de kruidenier. Maar in de banlieues zijn er geen ontmoetingspunten: geen winkels, geen cafe's, geen bioscopen geen boekhandels. Het culturele tekort begint met een tekort aan mondelinge vaardigheden. Het hele vocabulaire van kinderen uit die betonblokken, zestig kilometer buiten de stad, bestaat uit een dertigtal voor niet-ingewijden onverstaanbare keelklanken. Het is niet omdat ze zwart zijn of Arabier, dat ze moeilijk leren lezen, maar omdat ze niet gewend zijn mondeling te communiceren. Het centrum van Parijs is volgebouwd met kantoren, terwijl het vol zou moeten zitten met winkels appartementen, bioscopen, met mensen! In plaats daarvan laten ze die als autisten in de voorsteden wonen.

Wie is verantwoordelijk voor dit soort beslissingen? Stedebouwkundigen, architecten, leden van departementale staten? Als Europa niet oppast, zal het binnenkort lijken op een gigantische gepasteuriseerde kaas. Alle mensen zullen in steden wonen en het platteland zal alleen maar bestaan uit kort gemaaide achtertuinen, voor diegenen die het kunnen betalen. Verder slechts wildernis. Dat is een beeld waar ik nachtmerries van krijg.'