Vastbinden van patienten moet worden verboden

Een meisje van zestien jaar ligt vijf weken vastgebonden op haar bed in een ziekenhuis in Nederland. Voordien was ze langer dan een half jaar in een isoleercel geplaatst. Het is een schande, roept iedereen. En dat is ook zo.

Bij het lezen van de geschiedenis van Mimi voel ik die schande en het peilloze verdriet dat Mimi en haar omgeving meemaken. En tegelijk komt er een onstuitbare woede op. Hoe kan het dat NRC Handelsblad in zijn eerste bericht over de affaire concludeert dat de situatie een “gevolg is van de wachtlijsten in de psychiatrie voor zwakbegaafde kinderen'?

Hoe gemakkelijk wordt in de daarop volgende media-aandacht in de richting van de politiek gewezen? Meisjes zoals Mimi kunnen worden geholpen als het ministerie van VWS 50 miljoen gulden ter beschikking zou willen stellen om het door de sector voorgestelde plan voor 300 extra behandelplaatsen te realiseren.

Ik wil niets afdoen aan het plan van de organisaties van psychiatrie en gehandicaptenzorg om meer met elkaar samen te werken, elkaars expertise te gebruiken en die in te zetten bij 300 aparte behandelplaatsen om patienten met ernstige, gecombineerde problemen beter te helpen.

De PvdA doet haar best om in afweging met andere belangen daarvoor ruimte te creeren. De afgelopen jaren zijn er ook miljoenen guldens (13 miljoen in de afgelopen twee jaar plus dit voorjaar nog eens 6 miljoen) extra uitgetrokken voor de behandeling van de groep licht verstandelijk gehandicapten met gedragsproblemen. Misschien moet het sneller, misschien moeten we meer doen, misschien wegen we niet goed af.

Hoe het ook zij: het mag nooit een excuus zijn voor diegenen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor individuele patienten om niet de zorg te bieden die minimaal noodzakelijk is.

Ik wil en kan niet oordelen over de behandeling die Mimi in het Academisch Ziekenhuis Utrecht (AZU) heeft gekregen. En als ik alle ins en outs wist dan nog zou ik als politica een ernstige fout maken als ik een casus uitlicht en die gebruik om de feilen van het huidige zorgsysteem aan te tonen.

Maar nu anderen dat wel hebben gedaan, voel ik me vrij een aantal vragen te stellen.

Mimi is een meisje dat volgens de beschrijving ernstige psychische problemen kent. Na een aanloop van een paar maanden (waarin ze hulp kreeg van huisarts, maatschappelijk werker psycholoog en psychiater) is ze opgenomen op de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het AZU. Dat is precies de instelling die is aangewezen voor de behandeling van jonge kinderen met dergelijke problemen.

Na vijftien maanden opname in het AZU (waarin ze zoals haar ouders stellen alleen maar achteruit ging) is ze op de wachtlijst geplaatst voor de Hondsberg, een instelling waar verstandelijk gehandicapte kinderen met psychische stoornissen worden behandeld. Een vraag die opkomt is: wat is er in die eerste anderhalf jaar toch misgegaan in de diagnose en behandeling?

In het ziekenhuis is vastgesteld dat Mimi een intelligentiequotient heeft van 81. Daarmee valt ze onder de categorie zwakbegaafd ofwel verstandelijk gehandicapt. Dat is een opmerkelijke conclusie voor een meisje dat de derde klas Mavo haalde. Ik vraag me af in hoeverre de uitslag van een IQ-test is beinvloed door de situatie waarin het meisje inmiddels verkeerde.

Los daarvan: in de publiciteit wordt de plotselinge diagnose `verstandelijk gehandicapt' gebruikt om aan te geven dat het AZU haar ook niet kan behandelen. De afdeling is nu eenmaal niet op zulke patienten ingesteld. Moet een patient tegenwoordig precies in het aanbod van een instelling passen? Of mag van een instelling worden verwacht dat ze uitgaat van de zorgvraag van de patient. Wordt de onmacht van de behandelaars hier soms weggestopt onder een dubieus indicatiecriterium?

Dat laat onverlet dat behandelaars moeten zoeken naar een plaats waar een patient beter kan worden behandeld, zeker als de eigen behandeling lijkt te falen. Een verwijzing naar de Hondsberg, de gespecialiseerde instelling voor de groep verstandelijk gehandicapten met ernstige gedragsproblemen, is in zo'n geval de aangewezen stap. Maar een behandelaar die weet dat er een lange wachtlijst is voor die ideale plaats kan toch bevorderen dat de expertise van de Hondsberg of soortgelijke behandelcentra, wordt overgebracht naar de plek waar de patient verkeert.

Ik zie hier af van een vraag over de rol van de kinderrechter die anderhalf jaar geleden een machtiging tot opname verleende en nu concludeert dat Mimi's behandeling in strijd is met de rechten van het kind.

De inspectie voor de Volksgezondheid was zoals minister Borst deze week toegaf tijdens het vragenuurtje in de Tweede Kamer op de hoogte van de plaatsing in de isoleercel en het besluit van vijf weken geleden om het meisje vast te binden. In overleg met de inspectie is geprobeerd de fixatie en isolatie te verzachten. Het meisje mocht bijvoorbeeld als er begeleiding was af en toe los.

Er zijn landen waar het vastbinden en isoleren van patienten wettelijk verboden zijn. Ik voel veel voor zo'n wettelijk verbod. Het dwingt de gezondheidszorg te zorgen dat er alternatieve behandelingen komen voor patienten die zichzelf of anderen zouden beschadigen. Met een intensieve begeleiding is het niet nodig (we hebben het aansprekende voorbeeld van Jolanda Venema) om over te gaan tot mensonterende isolatie en fixatie.

Zoiets kost veel geld, hoor ik al roepen. Dat is waar. Ik zou van instellingen in de zorg verwachten dat zij niet voor elke nieuwe behandelmethode eerst extra geld vragen voor ze die toepassen, maar ook kijken wat ze binnen de gegeven budgetten aan optimale zorg kunnen realiseren.

Hoeveel extra geld er ook komt voor de zorg, het is al gauw te weinig. Binnen die schaarste gaat het om de verdeling.

Onder druk van de publiciteit is voor Mimi een oplossing gevonden. Het kan dus wel degelijk.