Banken hebben zich niet verrijkt; Commissie-Scholten:

DEN HAAG, 16 DEC. Het is “hoogst onwaarschijnlijk' dat de Nederlandse banken zich tijdens en na de Tweede Wereldoorlog “in aanzienlijke mate en stelselmatig hebben verrijkt ten koste van joodse oorlogsslachtoffers'.

Dit concludeert de commissie-Scholten in een vandaag verschenen eerste rapport over joodse banktegoeden, hypotheken, octrooirechten en tegoeden bij de staat. De commissie-Scholten doet, anders dan de commissie-Kordes vorige week, geen beleidsaanbevelingen. “Indien nodig' zal Scholten dit pas doen in het definitieve rapport over het rechtsherstel bij financiele instellingen, medio volgend jaar.

Scholten neemt met de conclusie over de banken afstand van recente berichtgeving dat Nederlandse banken ongeveer 2 miljoen gulden aan joodse tegoeden achterover hebben gedrukt. Wel zei Scholten het te “betreuren' dat ABN Amro een namenlijst pas na de publiciteit heeft overhandigd, maar noemde dit een incident. “Ik ben ervan overtuigd dat de banken zich heel open hebben gedragen.'

Bij de banken stond in de oorlog niet veel joods geld meer. Ze moesten zo'n 50 miljoen gulden aan joodse banktegoeden afstaan aan de Duitse roofbank Lippmann Rosenthal & Co (Liro). Bovendien hadden joden veelal hun geld al overgeboekt naar veilige landen.

Na de oorlog zijn enkele tientallen niet geroofde bedragen - meestal kleiner dan 100 gulden - vervallen aan de banken, omdat zich geen rechthebbenden hebben gemeld. Voor de tegoeden die bij Liro terecht waren gekomen zijn 30.000 “meest geringe' vorderingen ingediend, waarvoor Joods Maatschappelijk Werk een vergoeding van 944.500 gulden heeft ontvangen. Ongeveer 90 procent van de banktegoeden is vergoed.

De joodse overlevenden en nabestaanden die in de oorlog zijn beroofd van hypotheken zijn er bekaaider vanaf gekomen. Van de geroofde hypotheken ter waarde van 27 miljoen gulden is ongeveer driekwart van de waarde vergoed. “Dat is minder dan voor geroofde banktegoeden en effecten is vergoed' concludeert de commissie.

Dat komt doordat de opbrengst van de boedel ontoereikend was, nadat de Duitse bezetter de 5.600 hypotheekleningen voor ongeveer 21 miljoen had geliquideerd.

In de Consignatiekas van de overheid zijn slechts “een beperkt aantal joodse nalatenschappen' gestort. De uitkering van twee miljoen gulden die in 1985 is gedaan aan joodse organisaties “ligt vermoedelijk in de juiste orde van grootte'.