Mokerslag op de borreltafel; Roger Scruton over de moderne cultuur

Roger Scruton: An Intelligent Person’s Guide to Modern Culture. Duckworth 152 blz. f63,70 (geb)

Ooit ‘het bloed van een andere soort’ door uw aderen voelen stromen? Roger Scruton wel, op de vossenjacht. Als het hoefgestamp door zijn zadel trilt en de adrenaline kolkt, keert hij terug naar de natuurstaat van de prehistorische jager, gelouterd door strijd en bloed. Hij ervaart ‘de opwinding’ van de dieren, maar ook ‘de concrete onschuld van hun gedachten’.

In zijn essay On Hunting zet Scruton de zegeningen uiteen van de vossenjacht. Zijn argumenten tegen een jachtverbod waarmee de regering van Tony Blair heeft gespeeld, zijn niet nieuw, maar daar gaat het ook niet om. Het gaat om de ervaring van het leven en jagen in stamverband de terugkeer naar de Gemeinschaft en het besef dat de mens deel uitmaakt van een natuurlijke, niet naar believen te herschikken ordening.

Scruton is in Engeland een bekend conservatief filosoof en getalenteerd veelschrijver van boeken, opinie-stukken, recensies en ingezonden brieven. Zijn ostentatieve traditionalisme en jongensachtige, hautaine presentatie hebben hem de haat opgeleverd van linkse journalisten en academici alsmede de badinerende bijnaam ‘Hawdyir Scrotum’. Scruton heeft een scherpe pen, en een groot talent zijn vijanden het bloed onder hun nagels vandaan te halen. Hij verdraagt hun tirades chin up, om er daarna een schepje bovenop te doen.

De in 1944 geboren Scruton vestigde zijn academische reputatie met boeken over esthetica, muziek en het conservatisme, en schreef voor een groter publiek het voortreffelijke Modern Philosophy (1994), waarin hij een eigenzinnige diagnose stelde van de moderne filosofie. Hij buitte in dat boek zijn analytische achtergrond ten volle uit - Scruton beheerst zijn Russell en Frege, zoals het een Engelse filosoof betaamt - maar stak zijn zorgen om de blinde vlekken van het moderne denken niet onder stoelen of banken. Hij hekelde de ‘morele idiotie’ van de filosofische ethiek, noemde de argumenten van A.J. Ayer in diens klassieker Language, Truth and Logic ‘bespottelijk’ en verketterde het marxisme en het postmodernisme als ‘het werk van de Duivel’: nihilistische stromingen die de eigenwaarde van de westerse cultuur ondermijnen.

Polemisch

Scrutons eigen positie is een combinatie van Kant, wiens esthetica en ethiek hij prijst als grootse prestaties van de menselijke geest, en communautarisme. Gemeenschapszin, morele waarden en de ‘subjectieve’ ervaring, die het menselijk leven nu eenmaal zin geven, moeten worden beschermd tegen de eroderende effecten van de objectieve wetenschap. Zo verdedigde Scruton in Sexual Desire (1986) de waarden van monogame liefde en huwelijkstrouw tegen het biologisme van de moderne seksuologie. En zoals wel meer verdedigers van het ‘sacrale’ kwam hij onderweg de nodige ketterijen op het spoor: seksuele variaties die hij veroordeelde als immoreel en profaan, omdat ze de partner degraderen tot pornografisch ‘object’.

Die polemische houding doet denken aan Antoine Bodar, ook een neoconservatief die de barricades beklimt om de wereld uit te leggen dat barricades het instrument van de duivel zijn. Zijn commerciele succes maakt Scruton daarnaast het rechtse neefje van de Amerikaanse liberal Richard Rorty, een filosoof die eveneens bij een groot publiek bekendheid geniet, maar die een tegengestelde boodschap verkondigt. Rorty bepleit juist een verdere secularisering en ‘ontheiliging’ van de wereld als weg naar morele volwassenheid. En zoals Rorty schnabbelt als adviseur van Bill Clinton, zo schuifelde Scruton in de jaren tachtig rond in de coulissen van de politiek als filosofisch souffleur van Margaret Thatcher. Op haar had hij zijn hoop gevestigd voor een herleving van Engelse grootsheid en gemeenschapzin.

Sindsdien heeft Scruton afscheid genomen van Lady Thatcher, die hem teveel een 19e-eeuwse liberaal was, en van de universiteit. Als een Peter Pan van het Engelse conservatisme wijdt hij zich nu volledig aan het buitenleven, zijn boeken en de strijd op de opinie-pagina’s tegen Tony Blair, Oasis en andere tekenen van verval.

Kort na elkaar zijn twee nieuwe boeken van hem verschenen: een pleidooi voor de bedreigde vossenjacht, On Hunting (Yellow Jersey Press), en een aanklacht tegen de moderne wereld, An Intelligent Persons Guide to Modern Culture, onderdeel van een reeks waarvoor hij eerder een mooie titel schreef over filosofie.

Het zijn beide typische Scrutons. Meesterlijk geschreven, scherp en erudiet, maar ook onbeschaamd eenzijdig. Scruton schildert de moderne tijd als een lange donkere nacht, waarin enkelingen zoals hijzelf de vlam van de cultuur brandend houden. Hij knijpt zijn ogen ferm dicht voor de lotsverbetering die de moderne samenleving voor miljoenen mensen heeft betekend. Democratisering emancipatie en ‘aristocratisering van de massa’ zijn voor Scruton profaniteiten die hem alleen maar doen rillen van afschuw.

In zijn Guide to Modern Culture analyseert hij de moderniteit, het werk van Wagner en Baudelaire, en fulmineert hij tegen de vulgariteit van de popcultuur en het stuurloze negativisme van eigentijdse intellectuelen. Het boek is vooral geschikt voor wie het al met Scruton eens is, zoals hij in zijn inleiding grif toegeeft. Wie een mooie filosofische verwoording zoekt van rechts-communautaristisch gedachtengoed, kan hier terecht.

Enoch Powell

Maar dat is ook de zwakke plek van dit boek. Scrutons conservatisme is zo zorgvuldig gecultiveerd, en zijn standpunten zijn zo consequent politiek incorrect (het advies vrouwen te weren uit het leger; de NSDAP en passant een ‘geperverteerde nakomeling van de Russische revolutie’ noemen), dat de vraag rijst of hij geen poseur is, die niets liever wil dan het linkse establishment irriteren en vooral niet serieus genomen worden.

‘De elektrische gitaar ontleent een groot deel van zijn aantrekkingskracht aan het feit dat hij wordt omgegespt als een dildo’, is een van Scrutons huisbar-wijsheden over de popcultuur. Onze jeugd jaagt hersenbeschadiging en instant-seks na, en weigert zich te binden aan familie en kinderen. Dat is zo, wordt de lezer kennelijk geacht te denken, met een verontwaardigde vuistslag op de borreltafel. Wanneer is er in Engeland voor het laatst een huwelijk gesloten? Wanneer wordt er eindelijk weer een kind geboren? De antagonistische Engelse jeugdcultuur heeft inderdaad nog trekjes van een generatieconflict dat wij niet meer kennen, maar zo erg is het nu ook weer niet. Voor Scruton daarentegen is Homerus een huisvriend, maar de huidige Engelse jeugd een horde inferieure en geestloze wezens.

Ook elders wordt de grens tussen ernst en parodie overschreden. Dat geldt vooral wanneer de toch niet makkelijk te imponeren Scruton onder de indruk raakt van iemand anders. Dit schrijft hij in On Hunting over de reactionaire Britse politicus Enoch Powell, aan wiens zijde hij mocht dineren: ‘Zijn gelijkmatige spraak, met Victoriaanse syntaxis en bijbelse wendingen hoorde bij de voorvaderlijke stemmen van Coleridge, die oorlog voorspelden op hetzelfde moment dat ze de pudding verwelkomden. (…) Toen de vossenjacht ter sprake kwam, legde Enoch zijn vork neer en keek me lang en doordringend aan, met ogen die hun glazige distantie hadden verloren en brandden met een verterend vuur.’

In zulke passages valt Scruton ten prooi aan de kitsch die hij zo verafschuwt in de moderne cultuur. Hij begint zelfs wat te lijken op Martin Heidegger, die ook met nauwelijks teruggeslikte tranen van ontroering kon schrijven over de ‘wijze oude boeren’ die in het Zwarte Woud voor zijn blokhut zaten.

De overeenkomst is niet toevallig. Scruton sneert in On Hunting prachtig over Heideggers proza (‘zinnen als ongemelkte koeien, die meelijwekkend staan te loeien aan het hek van de betekenis’), maar hij deelt diens inzicht dat de wereld er allereerst is om te gebruiken, en niet om te bestuderen als object.

Met zijn bestudeerde ouderwetsheid is Scruton intussen eerder eigentijds dan traditioneel. Hij haakt in op een wijdverbreid onbehagen over de ontwortelende effecten van secularisatie en globalisering. Het communautarisme bloeit in de politiek zowel ter rechter- als ter linkerzijde. Anti-modernisme en de cultus van het lokale en ‘het eigene’ zijn allang onderdeel van de populaire cultuur. Wie geen tijd heeft om Scruton te lezen, kan een even sombere tijdsdiagnose beluisteren bij Bob Dylan, die op zijn cd World Gone Wrong ook al klaagt over de nieuwe ‘dark ages’ waarin we ons bevinden.

Scrutons rigide onderscheid tussen ‘high culture’ en populaire cultuur is op meer punten onhoudbaar. Popmuziek - zie het geval Dylan - is inmiddels een ‘klassiek’ genre geworden, met exegese, interpretatie en catalogisering. Zijn afkeer van pop als typisch modern roept bovendien de vraag op, of hij zich wel zou hebben geamuseerd in een zestiende-eeuwse kroeg vol liederlijk dronken fuifnummers, of op een middeleeuwse boerenbruiloft.

Gemeinschaft

In zijn ‘gids’ maakt Scruton dankbaar gebruik van Ferdinand Tonnies’ bekende onderscheid tussen Gemeinschaft, een organische gemeenschap waarvan stam en familie de belangrijkste pijlers zijn, en Gesellschaft, die berust op een contract tussen autonome individuen. Een gezonde samenleving, aldus Scruton, kan niet zonder ‘sacrale’ gemeenschapszin, geleverd door godsdienst of hoge kunsten.

Evenals de nestor van het Amerikaanse conservatisme, Irving Kristol, meent hij dat de seculiere samenleving leeft op het geleende morele kapitaal van het christendom. Sterft die godsdienst af, en daar ziet het naar uit, dan is het vangnet boven de circusvloer opgetrokken. Dat is mede bedoeld als verwijt aan het adres van de negativistische ‘maatschappijkritiek’ van marxisten en postmoderne deconstructionisten die sinds de jaren zestig onder westerse intellectuelen hoogtij viert.

Ook die diagnose is natuurlijk vaker gesteld, zij het minder welbespraakt. Richard Nixons vice-president Spiro Agnew hekelde in 1969 de ‘nattering nabobs of negativism’. Scruton voegt daar in feite weinig aan toe, en gaat al helemaal niet in op afwijkende, voorzichtiger meningen. Een liberaler denker als Ernest Gellner bijvoorbeeld ziet in zijn Conditions of Liberty de kern van de ‘civil society’ juist in het uitblijven van een sacrale Gemeinschaft. Ook Scruton zou zich vermoedelijk niet erg thuisvoelen in Iran, waar het ‘sacrale fundament’ met revolutionair elan opnieuw is gemetseld.

Onder alle retoriek vertoont A Guide to Modern Culture dezelfde schizofrenie als veel andere cultuurkritiek. Enerzijds is Scruton een kind van de Verlichting, waarvan de kunst en wetenschap hem hebben gemaakt tot wat hij is: een kosmopolitische intellectueel die pendelt tussen Engeland en de Verenigde Staten, en thuis Wagner draait en Wittgenstein leest. Anderzijds is dezelfde Verlichting verantwoordelijk voor de onttakeling van het sacrale die volgens hem onze rampspoed vormt.

Ambivalentie

Die ambivalentie beheerst Scrutons tijdsbeeld. Hij geeft hoog op van vroegere rites de passage en van instituties als het huwelijk, die zijn verankerd in de menselijke natuur.

Maar gezien zijn inktzwarte diagnoses heeft hij maar bitter weinig vertrouwen in die natuur (hoe kan het anders zo mis gaan?). Dat is een wurggreep waarin wel meer conservatieve denkers belanden. Ze weten precies wat ‘natuurlijk’ en onveranderlijk is in mens en samenleving, inclusief militaire rangen en seksuele posities, maar tegelijkertijd schreeuwen ze moord en brand over de teloorgang van die eigenschappen. Niets zo vergankelijk als de menselijke natuur, blijkbaar.

Scruton wil natuurlijk geen ayatollah in Westminster. Hij verlangt terug naar een prudentere tijd van voor het vooruitgangsgeloof. Toen een heer nog een gentleman was, en de gewone man zijn plaats kende, kinderen maakte en de muziek niet te hard zette. Aangezien we de tijd niet kunnen terugdraaien, moeten we het doen met de filosofie van het ‘alsof’. We zijn geen oude gelovigen meer, aldus Scruton, maar we kunnen wel vroom ‘doen alsof’. Geloof, moraal en sociale orde zijn immers niet wetenschappelijk te grondvesten, maar moeten zich al doende bewijzen. Ze stichten gemeenschap, en dat is belangrijker dan de vraag of ze ‘waar’ zijn.

In die opvatting staat Scruton niet alleen (zijn ‘doen alsof’ doet denken aan het ‘oprechte veinzen’ van Frans Kellendonk), en als particuliere levenshouding is er niets op tegen. Maar voor de gemeenschap die hem zo aan het hart gaat lijkt het een dubieuze oplossing. In Modern Philosophy geeft Scruton het voorbeeld van een primitieve dans, die volgens antropologen de sociale cohesie van een stam bevordert. Maar, merkt hij op, de krijgers dansen niet omwille van die cohesie, maar omdat hun god het wil. Zodra ze zichzelf antropologisch gaan bekijken, is het snel afgelopen met de kracht van de dans.

Dat is nu net het probleem van Scrutons eigen ‘doen alsof’.

‘Voor wie het wil, staat het morele leven nog steeds open’, besluit hij zijn gids. ‘De cultuur van de onzen is er een van de catacomben, een vlam die brandend wordt gehouden door onverschrokken monniken.’ Dat zelfbeeld is niet alleen aanmatigend, het is ook weinig behulpzaam. Wij arme popliefhebbers zouden meer geholpen zijn met denkers die zich niet koesteren in de warme gloed van hun open haardvuur-conservatisme, maar die de inherente spanning van de moderniteit nieuw leven proberen te geven.