Geheimhoudingsplicht

Oxford/Amsterdam De geheimhoudingsplicht van ambtenaren kan soms zeer kwalijke gevolgen hebben. Het volgende voorbeeld illustreert dit.

Omstreeks 1951 stelde de toenmalige minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting In 't Veld een bouwprogramma op waarbij het na-oorlogse woningtekort in 1965 zou moeten worden opgeheven. Voor dit programma was een berekening nodig van de toekomstige groei van de aantallen echtparen en gezinnen, gebaseerd op de geboorte-, huwelijks- en sterftecijfers. Voor deze berekening waren de minister (of waarschijnlijk zijn adviseurs) uitgegaan van een tabelletje in het Statistisch Zakboekje van het CBS waaruit bleek dat de gemiddelde leeftijd van de voor het eerst huwenden sinds 1880 vrijwel constant was gebleven.

Dat cijfer was echter bedrieglijk, omdat er vroeger door het hoge geboortecijfer veel meer jongeren waren, maar dezen veel later trouwden.

De twee factoren wogen toevallig net tegen elkaar op. In de na-oorlogse jaren ging men echter jonger trouwen.

Mijn collega's en ik van de afdeling onderzoek van het ministerie stelden daarom een berekening op waarbij de diverse leeftijdsgroepen afzonderlijk werden becijferd.

De uitkomst daarvan was, dat het woningbouwprogramma veel te laag was. Toen de directeur-generaal van het ministerie, dr.ir. Van der Meer, dit vernam, kregen wij de strikte instructie dat dit absoluut geheim moest blijven, want anders zou de positie van de minister bedreigd kunnen worden. Het uiteindelijke gevolg was dat de woningnood vele jaren langer heeft geduurd dan in het programma was voorzien.

Ik heb er mijn hele leven spijt over gehad dat ik de feiten destijds geheim heb gehouden, in plaats van hen te hebben doorgegeven aan mijn politieke partij.