ZELFREGULERING

In zijn rubriek 'Chips' lanceerde Rik Smits onlangs een harde aanval op de 'geinstitutionaliseerde hypocrisie' van zelfregulering (W&O, 28 november). Smits richt zijn toorn vooral op de omgang met seks en geweld in de moderne media en op de mogelijke gevaren voor de veiligheid van persoonsgegevens op het Internet.

Alsof we weer in de jaren zeventig zijn, wordt 'de industrie' schamper als onethisch en immoreel in de hoek gezet. Iedere gedragscode is bij voorbaat verdacht. Met een ouderwets vertrouwen in de effectiviteit en het oordeelsvermogen van de overheid, pleit Smits voor meer wetgeving en overheidsingrijpen op deze terreinen. Een wonderlijke conclusie op een al even wonderlijke analyse.

Al jaren is zelfregulering in vele bedrijfstakken een algemeen geaccepteerd instrument om gewenste beleidsdoelen te bereiken zonder hyper-gedetailleerde wetgeving. De wetgever 'ontloopt' hier niet zijn verantwoordelijkheid, maar vult haar juist pragmatischer en effectiever in. Het 'verpakkings-convenant' tussen overheid en industrie leidde bijvoorbeeld tot doelmatige milieu-afspraken zonder dat specifieke wetgeving nodig was.

In veel sectoren, met name in media en communicatie, gaan de ontwikkelingen in markt en technologie zo snel, dat traditionele wetgeving dit met geen mogelijkheid kan bijhouden. Zelfregulering is daar juist het middel om, binnen een helder wettelijk kader, werkbare afspraken te maken die snel aangepast kunnen worden.

Wat betreft seks en geweld in de media, realiseert Smits zich dat het grondrecht op de vrije meningsuiting niet toestaat om zaken die niet illegaal, maar wel onwenselijk zijn te verbieden. Gelukkig maar. Op de hedendaagse televisie geeft zelfregulering uitdrukking aan algemeen geaccepteerde grenzen van gezond verstand en goed fatsoen. Dat is wellicht een dun laagje vernis over een hoop rommel, maar dat betekent niet dat het instrument slecht is, hooguit dat de huidige morele opvattingen zelf enigszins hypocriet zijn.

De media is er alles aan gelegen om voortdurend af te tasten wat wel en wat niet kan.

De kijker is daarbij vrijwel altijd de beste raadgever, maar het is de journalistieke en redactionele verantwoordelijkheid die de uiteindelijke doorslag geeft. Net als in de gedrukte pers moet de overheid zich daar verre van houden. Ook met zelfregulering moet hier terughoudend worden omgesprongen, het kan tenslotte leiden tot zelf-censuur.

Nu we aan de vooravond staan van de grootste media-revolutie ooit, is het uitermate belangrijk om de mogelijkheden en beperkingen van zelfregulering goed te schatten. Waarschijnlijk is het een van de weinige kansen op sturing die we hebben op het Internet. Wetgeving op nationale of zelfs Europese basis zal weinig uithalen.

Zelfregulering zal zeker ook een rol spelen in de bescherming van persoonsgegevens op het Web maar absoluut niet als enig instrument. In de meeste landen bestaat al een heel behoorlijk wettelijk kader, en ook in de VS wordt nu gewerkt aan specifieke regels voor de bescherming van gevoelige informatie. Bovendien ontwerpen softwareproducenten aan de lopende band nieuwe systemen die individuele gebruikers in staat stellen zelf aan te geven hoeveel en welke persoonsgegevens vrijgegeven worden.

Internet gaat de relatie tussen producent en consument fundamenteel veranderen en grotendeels in het voordeel van de laatste. In die nieuwe verhouding zullen bedrijven wel proberen om zoveel mogelijk bruikbare marketinginformatie te vergaren maar zij moeten dit doen in alle openheid en met groot respect voor werkelijk gevoelige gegevens.

Iedereen die probeert klanten te werven op het Internet weet hoe kieskeurig, schichtig en kritisch Internet-gebruikers zijn. Wie daar geen rekening mee houdt wordt onmiddellijk afgestraft door de markt.

Daarom ontwikkelt het bedrijfsleven afspraken en gedragscodes om het consumentenvertrouwen op het Web, dat nog niet voldoet, krachtig te versterken. Zelfregulering is hier dus geen excuus voor het tegenhouden van wetgeving, maar een harde noodzaak om de klant terwille te zijn.