Hollands Dagboek: Hans Dorrestijn

Voordat hij als cabaretier begon studeer- de Hans Dorrestijn (58) Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Deze week ging zijn nieuwe programma 'Dorrestijn viert Oud en Nieuw ofwel Onvervuld Verlangen'in premiere.

Woensdag 25 november

Soms komt er na de voorstelling een zwakzinnige op me afzeilen met de woorden: “Wat was het vanavond weer geweldig somber!” Voorheen informeerde ik of de persoon in kwestie dan niet gelachen had. Meestal bleek zulks wel het geval. Tegenwoordig doe ik er het zwijgen toe. Hoezeer mijn levensvisie ook mag verschillen van die van Toon Hermans, op de planken ben ik een komiek. Van onbegrip zie ik de humor niet meer in.

Het nieuwe programma 'Dorrestijn viert Oud en Nieuw ofwel Onvervuld Verlangen' doe ik samen met Frans Ehlhart. Ik ken Ehlhart al een jaar of twintig. Toen ik hem voor het eerst ontmoette had hij al gewerkt bij Wim Sonneveld en bij Toon Hermans en ik was nog een onbekende tekstschrijver. Hij zette met onbesuisde geestdrift een dertigtal van mijn teksten op muziek. We hadden geen enkele garantie dat we die teksten ooit aan iemand zouden kunnen slijten, maar toen hij een jaar of wat later ging werken bij Adele Bloemendaal koos Frans dertien van onze nummers uit voor haar programma 'Adeles Keus'. Daarmee hadden we ons bestaansrecht bewezen.

Mijn bewondering voor Ehlhart als musicus was te groot om zelfs maar op de gedachte te komen hem als componist en pianist bij mijn eigen theaterprogramma's te betrekken, maar SLAGEN VAN HET NOODLOT zijn altijd ergens goed voor. In september 1997 werd ik in het ziekenhuis opgenomen met buikvliesontsteking. Vijftig procent kans dat je het overleeft. Operaties zijn geen pretje al merk je er niks van. Veel erger was de revalidatietijd en de enorme depressie die elke patient ten deel valt na een zware buikoperatie, laat staan mij. Ik was er geestelijk bar slecht aan toe en Ehlhart kwam een hele week bij me logeren om me door de inzinking heen te helpen.

Hij liet me op een dag het lied 'De Visvriend' horen op een door mij lang geleden geschreven en reeds vergeten tekst. Behalve Brel en Waits durft niemand een lied zo doorleefd te zingen. Pas toen kwam ik op het idee om samen met Ehlhart te gaan optreden. En zo ging zijn rol van onbezoldigd psychiater over in die van podiumgenoot. Ik moest hem het programma inschrijven en dat was geen kleinigheid. Als we op de reacties van het publiek in het land afgaan, is het gelukt, al blijf ik voor alle zekerheid rekenen op vernietigende recensies.

Over het algemeen hebben we geen klagen over de reacties van de zaal, maar een bittere pil hebben we al moeten slikken. Twee weken geleden zaten we in het radioprogramma 'Spijkers met Koppen', uitgezonden vanuit een cafe in Utrecht. Daarbij was publiek aanwezig en het reageerde op zijn zachtst gezegd mat. Ik waande ons al verloren, want we zongen het Loflied op de Hemaworst een tot dan toe geheide topper. Het mocht niet baten; we kregen weinig poot op elkaar. Het hele weekend zat ik in zak-en-as mineur.

Maar gisteravond hebben we hetzelfde lied kunnen uitproberen op een groot publiek in Carre ten bate van de Hondurese slachtoffers van de orkaan Mitch. De Hema-worst werd verslonden en de tijd op het podium vloog om al moesten we telkens stoppen in de coupletten, want het gebulder maakte ons onverstaanbaar. Zo'n enorm publiek maakt een kabaal waar je verbaasd van staat te kijken in de schijnwerpers. En dan te bedenken dat de Hema-worst in Utrecht niets deed. Alle hoop is nu gevestigd op Amsterdam.

Donderdag

De opname voor een tv-programma is vandaag op het laatste moment uitgesteld. Gelukkig. Ik ben nog bekaf van Carre.

Ik ga vanmiddag slapen en de avond zal ik wel doorkomen: voetbal. Als altijd hoop ik op commentaar van Johan Cruijff met zijn prachtige uitspraken als: “Aan elk voordeel zit een nadeel.”

Mensen die Cruijff spottend een orakel noemen, kan ik wel doodslaan.

De gedwongen rustdag geeft me de gelegenheid tot een terugblik. We hebben nu twintig try-outs en inspeelvoorstellingen achter de rug. Vooral try-outs zijn zware beproevingen. Als ik een conference voor het eerst uit mijn hoofd doe beweeg ik me zo struikelend en tastend door de tekst dat zelfs het meest welwillende publiek zich uiterst onbehagelijk gaat voelen. Geen mens, ik ook niet, kan voorzien dat het een goed nummer gaat worden.

Het instuderen van de liedjes was dit keer een wel heel zware bevalling. Voor het eerst kon ik mijn pianopartij niet aanpassen aan mijn zang. Vanaf zijn vleugel eist Frans ongenadig dat ik mij houd aan maat en ritme. Vooral het lied 'Een dag lelijk is niet erg' gaf grote problemen. Oorspronkelijk had Ehlhart deze tekst (een coproductie van Rob Chrispijn en mij) op muziek gezet voor Willem Nijholt. Mijn vriendelijke maar onvermurwbare componist had er een popsong van gemaakt die mijn krachten te boven ging. Ik kon al die duivelse ritmewisselingen niet volgen. Honderden keren namen we het lied door en altijd wist ik met groot gebrek aan vakmanschap op het verkeerde moment in te vallen. Ik smeekte Frans op het laatst om althans de syncopen eruit te slopen, maar hij weigerde koppig, omdat er dan volgens hem niets meer overbleef van het poppy-karakter. Maar intussen ben ik een meester geworden in het verbergen van mijn onkunde, dus in de zaal merken ze er weinig van.

Vrijdag

Vandaag heb ik het interview met Piet Koster van het Algemeen Dagblad twintig minuten stil moeten leggen. Ik haalde de herinnering op aan het moment dat in het Utrechts Academisch Ziekenhuis (AZU) zowat alle slangen en buizen uit mijn gehavende lichaam werden gehaald. Die gebeurtenis werd opgeluisterd door de aanwezigheid van alle bij de operatie betrokken chirurgen en andere medici. Het was een bizar gezelschap dat om mijn bed stond, maar misschien werd het beeld vertekend door de narcose die nog in mij woedde. De ene arts leek op een geleerde giraffe, de andere op een goedmoedige Bernardshond, een derde kwam mij voor als een lachende gems en een kleine anesthesist met stekelhaartjes speelde voor egel. Nu had ik de Dood niet bewust in de ogen gezien, maar wel een luguber visioen.

Toen de laatste slang verwijderd was (die verschrikkelijke ader waardoor je vocht en voedsel tegelijkertijd krijgt toegediend) mocht ik voor het eerst in maanden iets drinken. Ik had al wekenlang een waanzinnig verlangen naar druivensap en alle medici barstten in goedmoedig lachen uit, toen ik verrukt mijn eerste wankele slokjes nam.

Toen ik deze belevenis aan het Algemeen Dagblad vertelde, barstte ik in tranen uit. Zelf was ik nog verbaasder dan mijn interviewer, want ik meende dat ik het ziekenhuis al lang had verwerkt. En dan te bedenken dat ik de werkelijk rampzalige gebeurtenis die tijdens de revalidatieperiode plaatsvond, niet te berde durfde te brengen. Eens, heel ver in de nabije toekomst, zal ik u daarover berichten. Heb geduld. Het komt. Ooit moet het eruit.

Vanavond Baarn.

Zaterdag

In Baarn hadden we twee meevallers. Tegen de verwachting in was het uitverkocht en de zaal begreep dat mijn loflied op prins Claus maar zeer ten dele ironisch bedoeld was en dat het nummer niets te maken heeft met het obligate katten van het koningshuis.

Ik heb grote bewondering voor prins Claus. Hij is een zielsverwant. Ik ben alleen maar bang dat hij op een dag ook theaterprogramma's gaat maken. Dan ben ik verloren. Prins Claus is de enige in wie ik mijn meerdere moet erkennen, etcetera.

Deze week zit ik hem voornamelijk te knijpen voor de verkoopcijfers in de Kleine Komedie in Amsterdam en ik zie als een berg op tegen de premiere op donderdag. Mijn enige houvast straks als ik het Amsterdamse podium betreed, zal de Hema-worst zijn, want die gaat er overal in als koek. Bijna overal.

Na anderhalf jaar afwezigheid begin je als komiek toch grote zorgen te maken of je nog wel een publiek hebt. Of ze je niet vergeten zijn. Dan zit er niets anders op dan dingen verzinnen waarmee je in de krant komt. Dus plaatste Arjen Stuurman van mijn theaterbureau een passende advertentie in de landelijke dagbladen, waarin we voor ondergetekende een ambulance te koop vroegen. Zo kregen we een echte ziekenwagen in ons bezit en de pers vond het wel een leuk grapje geloof ik. Maar het was ook bittere noodzaak. Tussen de repetities 's middags en de try-outs 's avonds lag ik met een dekentje over me heen op de brancard van mijn eigen ambulance. Na twee uur slapen had ik weer genoeg fut om het einde van de voorstelling te halen.

Maar nu komt er een soort Geluk om de hoek kijken waarmee echte pechvogels zoals ik altijd opnieuw worden geconfronteerd. De ambulance werd op een dag van de weg gehaald door een van gefrustreerde ambitie verblinde politie-agente. Op een of andere manier kwam de inbeslagname op de telex en ik was in een klap volop terug in de media. Natuurlijk verdacht de pers mij ervan dat ik de hand had in die agente, maar hoe kan ik de hand hebben in een agente als ik vrijgezel ben? En de betreffende gezagdraagster zag er niet naar uit dat ze vrijwillig mee zou werken aan mijn pr.

Het effect bleef niet uit. De verkoopcijfers van de theaters steeg en Stuurman meldde na een week dat we 'de ambulance er al uit hadden', dat wil zeggen achttien mille. Laat de betrokken agente zich bij mij melden, dan kan ze d'r steekpenningen alsnog in haar reet steken.

Een paar weken geleden vertelde ik Kees van Kooten over de lotgevallen van mijn ziekenwagen en ik polste hem of dat wel kon, zoveel lawaai om iets bijkomstigs als een vervoermiddel. Hij zei: “Het kan alleen als je er in je programma wat mee doet, anders blijft het steken in een gimmick.” Als de bliksem heb ik er een droef-komisch monoloog bijgeschreven, waarna Frans een zwaarmoedig lied zingt dat het publiek tijdelijk alle levenslust beneemt. Heb dank o Grote Koot.

Overigens een kinderlijke hebbelijkheid van me dat ik zo graag in gezelschap verkeer van echte beroemdheden.Ik zat bij dat advies van Kees van Kooten aan tafel met zijn dochter Kim, haar beroemde vriend Hans Teeuwen enzovoorts. Te veel om op te noemen. In zo'n illuster gezelschap heb ik eindelijk het gevoel dat ik er wezen mag. Dat ik voor vol word aangezien door de omstanders. Ik hoor ze denken: “Wie is toch die interessante man naast Kees van Kooten die man met dat baardje en die bril? Hij is vast een groot schrijver.”

Ik moet toch nog even terugkomen op die ambulance. Achteraf bleek het ding een kat in de zak. In de cabine verga je van de herrie. Onze ziekenwagen moet er dus alweer uit. Inmiddels is er een advertentie in de krant gezet die u misschien over het hoofd heeft gezien: “Wegens wonderbare genezing ambulance te koop. Halleluja. Met korting.”

God hebbe onze ziel / vanavond staan we in Tiel.

Zondag

Winsum ligt dertig kilometer ten noorden van Groningen. We moesten al om een uur of vier van huis. Om drie uur 's middags staat je kop nog niet naar warm eten, dus je stapt in de auto met alleen een broodje kaas achter de kiezen. Een onaangenaam bijverschijnsel van het theaterleven is de eeuwige honger. Soms heeft Frans een paar bruine boterhammen bij zich in een plastic zakje waaruit ik mee mag snoepen, maar dat vult de maag niet echt. Bestrijd je de honger met een echte mensenmaaltijd dan sta je 's avonds zo log als een nijlpaard op de planken. Tijdens de voorstelling knort mijn maag soms zo hard dat het op de zender slaat. Het microfoontje van de zender is bevestigd aan mijn bril, dus dan kunt u wel nagaan hoe hard mijn maag knort. In Nederland is alles zo voortreffelijk geregeld dat op de terugweg alle snackbars gesloten zijn. In de nachtelijke uren kijken Frans en ik bijna altijd vergeefs uit naar frites etcetera. Snacks komt van snacken en dat is een Middel-Nederlands woord voor verlangen. Het eindigt ermee dat je 's nachts om twee uur een eitje staat te bakken.

Na Tiel was Winsum technisch gezien een flinke stap terug. Podium te klein om het decor kwijt te kunnen, geen faciliteiten voor licht en geluid, een zaal met klapstoeltjes, maar de Winsummers waren gweldig op dreef en ikzelf draaide ook beter dan in Tiel. Het blijft allemaal maar goed gaan. Ik houd mijn hart vast.

Maandag

Met mijn stomme kop had ik beloofd drie teksten in te leveren voor Klokhuis. De deadline is overmorgen. Dit werkje maakte het me onmogelijk mijn theaterprogramma door te nemen. Nu weet ik niet of ik de teksten er allemaal nog wel goed in heb. En morgen moet ik in Amsterdam aan de bak.

Ik zal u mijn krachttermen besparen.

Dinsdag

Het is nu twee uur 's nachts dus u moet niet te veel van me verwachten. De eerste voorstelling in de Kleine Komedie was een sof. De zaal deed niet mee maar wachtte af. Het publiek kwam om te oordelen. Ik ben bang dat Amsterdam pas begint te juichen als er in de Volkskrant heeft gestaan dat er alle reden is om te juichen. Amsterdam oh Amsterdam / ik wou dat er een eind aan kwam. Zelfs van de Hema-worst wisten ze niet of ze hem lekker mochten vinden. Ik ben moe, heel moe en ik laat de woensdag zitten. Ik bedoel: ik schrijf er niks over.

Woensdag 2 december

Morgenavond de gevreesde premiere en daarna horen we van de recensenten of we mogen bestaan. Als u mij goed gezind bent, bidt dan voor mij, Frans Ehlhart (muziek), Roger Lambermon (geluid), Arie Kant (filosoof) en Pieter Bouwman (architect).