Stervende zwaan

NEW YORK, UPPER EAST SIDE. Sterven doe ik bij voorkeur in restaurants. Aan het eind van het hoofdgerecht. Als alle denkbare gespreksonderwerpen uitvoerig zijn behandeld, laat ik me langzaam van mijn stoel glijden. Voor die tijd heb ik al een paar keer hard gerocheld en een servet tegen mijn mond gedrukt. En dan gebeurt het. Ik glijd van mijn stoel tot ik op de grond lig.

Soms zeg ik ``Maria' als ik mijn ogen weer open, soms zeg ik niets en wijs alleen maar naar het plafond. Ik doe dit niet uit kwaadaardigheid. Alleen omdat er niets meer te zeggen valt en ik mijn gasten toch wil vermaken. Van tijd tot tijd voel ik behoefte voor stervende zwaan te spelen. Melodrama is niet erg, het is zelfs belangrijk je leven te larderen met melodrama. Zolang iedereen maar begrijpt dat alles een zet op het schaakbord is. In een groot winkelcentrum in Duitsland heb ik ook wel eens een epileptische aanval nagespeeld, maar dat was toch een minder groot succes.

Iedereen organiseert zijn eigen ongeluk, waarschijnlijk om afgeleid te worden van dat andere ongeluk, dat er altijd is en niet meer weggaat nadat het je eenmaal stevig heeft omhelsd. Een soort piepen in je oor dat nooit meer ophoudt, soms hoor je het een paar dagen niet, maar dat is verbeelding, omdat je even werd afgeleid. Als ik een talent heb is het toch wel om ongeluk te organiseren. Ik heb er al over nagedacht mij te verhuren aan mensen die te lui zijn hun eigen ongeluk te organiseren. En dan kom ik langs om het vuile werk op te knappen.

Afgelopen woensdag zat ik in een restaurant te eten met een echtpaar, niet veel ouder dan ik. En toch had de tijd een andere uitwerking op hen gehad dan op mij. Ik heb de indruk dat ik de laatste tijd aan het infantiliseren ben. Terwijl mijn leeftijdsgenoten stuk voor stuk de weg inslaan die volwassenheid heet en zelfs woorden als `toekomst' in de mond nemen zonder in paniek te raken.

Er is wat voor te zeggen dat infantilisering eigenlijk niets anders is dan een vorm van specialisatie, en ik heb mij laten vertellen dat dit het specialisatie-tijdperk is. Die avond in dat restaurant was wat men noemt een leuke avond. Wij aten ossobuco. Ik had juist verteld hoe ik, tijdens de laatste avond van mijn reis door Italie het volledige meubilair van mijn hotelkamer naar de gang had gesleept. Op het bed na. Nachtkastjes, schilderijen, een dressoirtje, twee stoelen een bankje, een handdoekenrekje, een klein bureautje. Hoe ik dat voor elkaar had gekregen was mij ook een raadsel, want normaal houd ik niet zo van fysieke arbeid. Daarna belde ik met de receptie. ``U spreekt met kamer 208,' zei ik, ``dat u morgenochtend niet schrikt. Ik heb het meubilair op de gang gezet, want ik vond het zo lelijk.'

Aan de gezichten van het echtpaar tegenover mij merkte ik dat de kunst van het organiseren van je eigen ongeluk niet aan hen besteed was. Terwijl het zo'n mooie kunst kan zijn.

De mooiste misschien wel.

Ik geloof dat ik op de grens was gestoten tussen sociale humor, grapjes maken in het openbaar waar iedereen beleefd om lacht, en echte humor. Het onuitroeibare besef dat jouw aanwezigheid op deze wereld berust op een administratief misverstand.

``Maar was dat meubilair dan echt zo lelijk?' vroeg het echtpaar in koor.

``Nee,' zei ik, ``het was best heel mooi.'

Toen begon ik langzaam voor stervende zwaan te spelen.

Eerst rochelde ik een minuut of vijf. Ik sloeg met beide vuisten op mijn borst, maar daarvan ging ik alleen maar meer rochelen. Het echtpaar keek eerst gegeneerd en later ongerust toe.

``Gaat wel,' mompelde ik nog.

Vervolgens gleed ik langzaam van mijn stoel.

Toen ik mijn ogen opende stond het voltallige personeel over mij heen gebogen.

``Maria,' zei ik.

``Blijven liggen,' zei een van de obers.

``Niet aanraken,' zei een andere ober, ``ik heb een EHBO-cursus gevolgd.'

``Is er een dokter in het restaurant?' riep de manager. Hij gedroeg zich alsof hij eigenaar was van een goedlopende nachtclub.

Ik hoorde het echtpaar zeggen: ``hij was zeker vijf minuten aan het rochelen.'

Ik dacht, ik sta maar op voor het uit de hand loopt.

Maar de ober die een EHBO-cursus had gevolgd duwde mij weer terug

``Blijven liggen,' zei hij, ``de ambulance is al gebeld.'

``Ik voel me al stukken beter,' zei ik, ``een ambulance is echt niet nodig.'

De stervende zwaan was mijn glansrol maar blijkbaar had ik hem dit keer iets te glansrijk gespeeld.

Opnieuw deed ik een poging op te staan, maar de ober die mij al een keer terug had geduwd, duwde mij ook voor een tweede keer terug. Dit keer hardhandiger.

“Blijven liggen', zei hij, “wij hebben onze instructies.'

“Ik ben niet ziek', riep ik. “Maar als ik hier nog lang blijf liggen, dan word ik ziek.' Een Braziliaan die gebrekkig Engels sprak en klaarblijkelijk op vakantie was in New York, begon in mijn pols te knijpen. Hij was erg oud en hij stonk penetrant naar een bepaald soort alcohol.

“Weten jullie zeker dat dit een dokter is?', vroeg ik want de Braziliaan had mijn trui omhoog geschoven en lag nu met zijn oor op mijn borst.

Niemand nam de moeite mijn vraag te beantwooden. De ober met EHBO-cursus riep, “maak zijn schoenveters los, die kunnen knellen.'

Twee mannen begonnen aan mijn schoenen te rukken.

“Blijf van mijn schoenen af', riep ik, “dat zijn nieuwe schoenen, daar is niets mis mee.'

Maar wat ik ook zei, het maakte niet de minste indruk. Het is fijn in het middelpunt van de belangstelling te staan, maar dit was toch ook wat overdreven.

De ambulance kwam. Twee broeders allebei stevig gebouwd, betraden het restaurant met een brancard. Tegenstribbelen was nutteloos. Mijn schoenen was ik al kwijt.

De broeders onderzochten mij met stethoscopen en ander materiaal dat ik niet bij naam kende. Opeens overviel mij de angst dat ik echt ziek was. Dat wat begonnen was als spel bittere werkelijkheid zou worden, waartegen geen zet op welk schaakbord dan ook meer bestand was.

“We kunnen niets vinden', zei de ene broeder, “we moeten je meenemen.'

“Maar als jullie niets kunnen vinden, waarom moet ik dan mee?', riep ik.

“Omdat de specialisten misschien wel iets vinden', legde de andere broeder geduldig uit. Ze wilden me op de brancard leggen.

“Ik kan lopen', zei ik, maar de broeders zeiden, “we nemen het zekere voor het onzekere, dat is ons vak.' Zo werd ik het restaurant uitgedragen.

“Mijn schoenen', riep ik, “mijn schoenen moeten mee.'De broeders schoven mij met brancard en al in de ambulance. Nu wist ik ook eens hoe dat was. Voorbijgangers keken belangstellend toe. Misschien was ik niet langer de stervende zwaan aan het spelen, misschien was ik nu de stervende zwaan. En ik had mijn moeder een kleinkind beloofd, en er waren nog minstens tien mannen met wie ik moest duelleren voor de eer van wezen en andere zielige kinderen.

Bovendien was mij tijdens het eten de zin “'s nachts ruik ik lekker', te binnen geschoten en die zin kon niet ongebruikt blijven.

In het Lenox ziekenhuis moest ik eerst drie uur wachten, maar toen werd ik twee uur achter elkaar onerzocht. Bloed werd afgetapt, ze keken in mijn oren, in mijn ogen en in mijn neus. Ik moest waslijsten vragen beantwoorden. Om vijf uur 's nachts lieten ze me vrij. Mijn creditcardnummer moest ik achter laten. Ik zou nog van ze horen of ze iets hadden gevonden. Iets dodelijks.

Ik liep naar huis. Het sterven was deze avond duur geweest, maar spijt had ik niet. Zeker acht uur lang had ik mijzelf toch weer afgeleid van dat andere ongeluk.