Paars blokkeert Europese integratie niet

Als de burgers van de EU-lidstaten het gevoel krijgen dat de lusten en lasten gelijkmatiger worden verdeeld, leidt dit volgens J. Mulder tot een versterkt draagvlak voor de Europese integratie. Paars II is daarom op de goede weg met zijn bezuinigingspolitiek inzake Europa.

Professor Roobol heeft ongelijk wanneer hij stelt dat Paars II de Europese integratie zou blokkeren omdat het een betere netto betalingspositie voor Nederland zou vragen (NRC Handelsblad, 14 november).

Als dat zo zou zijn dan zou hij ook de stelling kunnen poneren dat alle lidstaten van de EU tegen de Europese integratie zouden zijn. Want is het niet zo dat een ieder zoveel mogelijk financieel poogt te profiteren van de EU, oftewel zijn netto betalingspositie probeert te verbeteren?

Het gaat echter om heel wat anders. Het zal altijd zo blijven dat rijkere lidstaten betalen voor de ontwikkeling van de armere lidstaten. Wat dat betreft zal het dus ook wel in de toekomst zo zijn dat Nederland via de nationale begroting meer aan de EU betaalt dan dat het ontvangt. Het valt echter niet te verdedigen - en daar gaat het Paars II om - dat landen die een vergelijkbaar welvaartsniveau hebben aanzienlijk minder hoeven te betalen dan Nederland. Welke Nederlander zou het accepteren dat in Nederland personen met een gelijkwaardig inkomen belastingaanslagen ontvangen die zeer verschillen? En waarom moet het zo zijn dat voor Groot-Brittannie wel een `netto begrenzer' van betalingsverplichtingen aan de EU geldt en voor andere landen niet?

De redenen voor het beginnen van die Europese samenwerking waren drievoudig: geen oorlog meer in Europa, een regeervorm die gebaseerd is op parlementaire democratie met uniforme rechtsregels, en het verhogen van de welvaart voor al haar inwonenden. De eerste twee argumenten zijn moeilijk in geld uit te drukken, maar vooral Spanjaarden en Portugezen benadrukken dat de enorme investeringsgolf die heeft plaatsgevonden na hun toetreding tot de EU, vooral te danken was aan de zekerheid van de investeerders dat ze beschermd werden door dit gemeenschappelijke Europese rechtsgebied.

Het valt te vergelijken met het financiele voordeel dat Nederland heeft door zijn zeehavens.

De recente discussie over de voors en tegens van een extra reserve op de Europese begroting gaat overigens niet over het uitgeven van meer geld. Het Europees Parlement heeft uitdrukkelijk bepaald dat de reserve niet besteed zal worden. Met deze reserve - die overigens nog in de tweede lezing in december kan worden verworpen - wil het Parlement zijn positie als een van de twee takken van de begrotingsautoriteit versterken. Hebben parlementen niet overal in de loop der geschiedenis hun rechten moeten bevechten?

De uitgaven van de EU worden beperkt door een plafond van 1.27 procent van het BNP van alle lidstaten. De Unie leeft echter zuinig, want in de eerste lezing van de begroting 1999 stemde het parlement voor een begroting die 1,1 procent van het BNP besloeg (exclusief de reserve). Het percentage van de begroting dat aan landbouw besteed wordt is dalende (ruim onder 50 procent reeds), terwijl het aandeel van de structuurfondsen in de begroting juist stijgt en dichtbij dat van de landbouwuitgaven komt. Het verschil tussen de landbouwuitgaven en de structuurfondsen is dat de eerste voortvloeien uit markt- en prijsbeleid en daarom gevoelig zijn voor markt, prijs- en weersfactoren.

De structuurfondsen zijn een vaste financiele enveloppe die eenmalig en vrij willekeurig wordt vastgesteld. Als men ziet dat anno 1998 voor 40 a 50 procent van de fondsen die in 1993 werden geprogrammeerd, nog een bestemming moet worden gevonden, is er dus weinig reden om meer geld uit te trekken voor structuurfondsen, tenzij de dynamiek om goede projecten te vinden verbeterd wordt.

De uitbreiding van de Europese Unie met landen in Midden- en Oost-Europa is om verschillende redenen noodzakelijk, niet in de laatste plaats ter handhaving van vrede en veiligheid in Europa.

Aanpassing aan die toetreding is noodzakelijk van de kant van die landen zelf, maar uiteraard ook van de kant van de Unie.

Wat de Europese begroting betreft zullen twee uitgavencategorieen uiteraard bijzonder de aandacht trekken. Die van landbouw en die van de structuuruitgaven. Wat de laatste betreft is het niet alleen van belang gezien de besteding het totale bedrag te verlagen, het is vooral van belang dat de structuuruitgaven niet langer als uitgavenverplichting gelden zoals de afgelopen periode het geval was. Het heeft geen zin jaar in jaar uit gelden op de begroting te brengen die toch niet besteed kunnen worden.

Wat betreft het landbouwbeleid stelt de Europese Commissie voor de inkomenstoeslagen die het prijsbeleid vervangen, niet te betalen aan landbouwers in Midden- en Oost-Europa ook als die landen eenmaal lid zijn van de EU. Dat lijkt redelijk. De inkomenstoeslagen voor de boeren in de EU zijn immers een compensatie voor de gedaalde prijzen en die prijsdaling treedt immers niet op in Oost-Europa. Integendeel.

Toch is het niet moeilijk voor te stellen dat die landen als ze eenmaal lid zijn ook om die inkomenstoeslagen zullen vragen. Daarom is het nu reeds verstandig om op die situatie vooruit te lopen en voor te stellen die inkomenstoeslagen gedeeltelijk via de nationale schatkist te doen verlopen. Uiteraard wel op voorwaarde dat de landbouwpolitiek in Brussel wordt gemaakt en dat van hernationalisatie van het landbouwbeleid geen sprake mag zijn.

Een ander voordeel van dit beleid zou zijn dat door de jaren heen gebleken is dat lidstaten beter met hun `eigen geld' omspringen dan met `Europees' geld. Fraude en onregelmatigheden in de Europese landbouwpolitiek kunnen dan worden teruggedrongen.

En een bijkomend voordeel is natuurlijk dat de netto betalingspositie van een aantal landen, waaronder die van Nederland, verbetert.

Europese integratie blijft van levensbelang voor Nederland en andere Europese landen, vooral nu binnenkort de euro wordt ingevoerd. Het draagvlak voor die integratie wordt versterkt als de burgers van die lidstaten het gevoel krijgen dat lusten en lasten gelijkmatig verdeeld worden.

Paars II is daarom op de goede weg door te bepleiten dat voor de komende jaren de hierboven beschreven beleidsterreinen in de aangegeven richting veranderd worden. Daarmee blokkeert het de integratie niet, het verzekert daarmee het draagvlak voor het Europa van de toekomst.