Een vergrijsd mannenbolwerk

Voor vrouwen is het lastig aan de universiteit een toppositie te bereiken. Steeds minder jongeren kiezen voor een wetenschappelijke carriere. En het universitair personeel vergrijst snel. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit het gisteren verschenen rapport Wetenschappelijk Onderwijs PersoneelsInformatie van de overkoepelende organisatie van Universiteiten (VSNU). Portretten van drie universitaire medewerkers.

Ambitieus

“Ik ben altijd ambitieus geweest, al zou ik dat vroeger niet snel hebben toegegeven. Na mijn studie biologie en bedrijfskunde werd ik assistent-onderzoeker bij de faculteit economie en econometrie aan de VU en haalde in de avonduren mijn accountants- en controllersdiploma. Ik promoveerde en gaf les aan de postdoctorale accountantsopleiding. Hoogleraar worden leek me toen al aantrekkelijk maar ook onbereikbaar ver weg.

Het gaat om zelfvertrouwen. Durven te zeggen: ik ben goed. Vrouwen hebben daar meer moeite mee dan mannen. Complimenten zijn schaars. Geen nieuws is goed nieuws. Je moet leren daar zelfvertrouwen aan te ontlenen.

Na een paar jaar ging ik, naast mijn baan aan de universiteit, werken bij Moret, Ernst & Young Management Consultants. Klanten waren tevreden. Op de universiteit kwam ik zeer goed uit de bus bij enquetes waarbij studenten oordelen over een docent. Toen er een aantal hoogleraarposten vrijkwam, dacht ik bij mezelf: Ik heb wetenschappelijke kwalificaties, onderwijs- en praktijkervaring, kortom ik voldoe aan de criteria. Ik kon niet verzinnen waarom ik minder zou zijn dan andere gegadigden. Integendeel.

Dan moet je jezelf zichtbaar maken, netwerken zeg maar. Dat is lastig. Recepties en conferenties aflopen en je steeds weer voorstellen. Als vrouw in de accountancy ben je een uitzondering tussen alle effengrijze pakken. Natuurlijk ben ik wel eens tegengewerkt. Niet alle mannen zien dat zitten - een vrouw op zo'n positie. Maar andere heren vinden het juist leuk en geven een extra duwtje.

Je moet vooral durven volhouden en de consequenties aanvaarden van de keuzen die je maakt. Ik had op mijn tweeentwintigste besloten dat ik niet per se kinderen wilde.

Dat maakt het een stuk eenvoudiger. Als ik vijf jaar geleden zou hebben geroepen dat ik parttime zou gaan werken, had ik mijn eigen graf gegraven. Wat dat betreft is er de afgelopen jaren veel veranderd.

Nu hangt mijn foto tussen die van de andere vrouwelijke hoogleraren in de portrettengalerij van de VU. Ja, de dames passen op een wandje. Ik krijg nog wel eens gekke opmerkingen tijdens promoties en oraties, in de trant van: Wat doet dat meisje daar? Ach, je valt wel op als vrouw. Spijt? Nee, ik heb absoluut geen spijt. Ik amuseer me elke dag kostelijk in het leven.'

Geen spijt

“Oke, je kan goed verdienen bij informatietechnologie-bedrijven, maar het is ook slavenarbeid. Werkweken van vijftig, zestig uur zijn geen uitzondering, overuren worden niet uitbetaald. Tijd om vakliteratuur bij te houden heb je nauwelijks. Toen ik eind 1992 mijn informaticastudie afrondde, lagen IT'ers wat minder goed in de markt dan nu, hoewel ik best een baan had kunnen vinden. Maar betaald leren leek me veel leuker.

Ik doe onderzoek naar de verbetering van productiemanagement en planning in de scheepsbouw. Hoewel dat over planning gaat, heb ik daar zelf wel moeite mee gehad. Vier jaar is heel lang. Aan het begin van je onderzoek stel je vragen, maar de antwoorden komen altijd uit een andere hoek dan je verwacht. Dus moet je je schema steeds opnieuw bijstellen. En dan moet je het allemaal nog opschrijven. Dat is het zwaarst.

Voor mij komt het einde in zicht - komend voorjaar hoop ik mijn proefschrift af te hebben. Achteraf lijkt het allemaal zo logisch wat je opschrijft dat je denkt: had het niet wat sneller gekund? Maar dat denken de meeste promovendi.

Eigenlijk is dat promoveren een grote egotrip.

Het gaat allemaal om dat ene boekje dat je uiteindelijk presenteert. Daarna kan ik dr. en ir. voor mijn naam zetten. Natuurlijk, ik zal er best trots op zijn. Ik beschouw het als een proeve van wetenschappelijke bekwaamheid. Maar ik ga mijn titels niet op mijn naambordje naast de deur vermelden. Dat vind ik echt te ver gaan.

Voor het salaris hoef je geen aio te worden, maar heel slecht is ook weer niet: ik begon met 3.600 gulden bruto en dat liep na vier jaar op tot 4.500 gulden. Na vier jaar houdt dat op. Als je dan nog niet klaar bent, zoals de meesten, wordt het lastig. Ik krijg nu al enkele maanden 1.300 gulden wachtgeld per maand. Dat is heel krap, vooral omdat ik twee kleine kinderen heb.

Spijt van mijn beslissing heb ik niet, al heb ik wel eens gedacht: waar heb ik in vredesnaam voor gekozen. Vooral in het begin, dan heb je het gevoel dat een boekenkast over je heen is gevallen. Dat is de bekende aio-dip. Maar die gaat voorbij.'

Trouw

“Toen bleek dat ik nog nooit in aanraking was geweest met de politie, kon ik beginnen als receptionist bij de afdeling kleine huisdieren van de faculteit Diergeneeskunde. Dat was in 1958 en ik verdiende 299 gulden per maand - contant op te halen bij de kassier. Dat was toen best veel. Eerst kreeg ik een arbeidscontract van twee jaar en daarna kwam ik gedurende twee jaar in tijdelijke dienst. Zo ging dat vroeger. Toen ik na vier jaar eindelijk een vaste aanstelling kreeg, dacht ik: ik blijf hier tot mijn vijfenzestigste. Gek he?

Ik heb het altijd geweldig naar mijn zin gehad bij de universiteit. Niet dat het makkelijk was. Er wordt wel eens gezegd dat ambtenaren niet hard hoeven te werken. Dan word ik altijd een beetje boos.

Ik werkte elke dag van acht tot vijf en aanvankelijk ook op zaterdagochtend.

Verveeld heb ik me nooit. Ik was receptionist op verschillende plekken binnen de universiteit, en ik heb ook een tijdje bij de studentenadministratie van de psychologiefaculteit gewerkt. Dat was nog in de tijd dat alle studieresultaten met de hand werden bijgehouden in kaartenbakken. Studenten hadden toen veel minder haast om hun studie af te maken. Vooral als ze rijke ouders hadden. Ik had er een bij die 21 jaar over zijn studie heeft gedaan. Die had overigens geen rijke ouders, maar was gewoon niet zo slim.

Ik ben vaak net een maatschappelijk werker. Toen de faculteit moest reorganiseren wegens de bezuinigingen stonden docenten die jaren les hadden gegeven vaak met tranen in hun ogen voor mijn balie. `Het is afgelopen Gerrit, ik ben ontslagen', zeiden ze dan. Je moet goed kunnen luisteren en het vertrouwen dat mensen in je hebben niet beschamen. Praatjes moet je voor jezelf kunnen houden.

Toen ze in 1982 de studentenadministratie gingen automatiseren, ben ik daar weggegaan. Ik had geen puf in die computers. Bovendien voel ik me thuis achter de balie. Ik word daar gewaardeerd. Voor veel docenten en decanen begint de dag pas echt als ze mij hebben gegroet.

Kort geleden heb ik de erepenning van de faculteit gekregen. Toen schoot er wel even een brok in mijn keel. Normaal gesproken is die voor hoogleraren die zich heel verdienstelijk hebben gemaakt. Ik ben maar een gewone medewerker, maar ik kreeg hem ook. Voor veertig jaar trouwe dienst.'