Alleen met John Cale

Ik vermoed dat Otten behoort tot die schrijvers die de muziek, in haar geval de popmuziek, hoger schatten dan de literatuur, maar die zich bij een tekort aan compositorisch talent moeten neerleggen bij de taal als uitdrukkingsmiddel. Bij Otten is die taal sober en kernachtig. De zinnen in Lente van glas zijn kort tot middellang en vestigen zelden de aandacht op zichzelf. Op mooischrijverij valt ze niet te betrappen, maar ook niet op lelijke of onhandige formuleringen. Ze zíjn er gewoon, prettig vanzelfsprekend, alsof ze er altijd al waren.

Toch is er wel iets bijzonders aan de hand met haar manier van schrijven: die is veel minder realistisch dan je op het eerste gezicht zou denken. Er spreekt een afwachtende levenshouding uit. Er wordt in Lente van glas niet geoordeeld, niet geanalyseerd of gepsychologiseerd, alleen maar beschreven, met een grote, bijna griezelige ontvankelijkheid. Alles wordt hier met een gevoelig oog geregistreerd, zonder onderscheid, of het nu gaat om het geraas van de snelweg, de geur van babyhuid, andermans vieze nagels en vette haren, de modder- en ijzerlucht van slootwater of de snijdende klanken van een altviool.

Al meteen vanaf het begin is er een verontrustende onderstroom aanwezig in het verhaal over Judith, een jonge vrouw die met haar baby op een etage in Amsterdam woont. Ze leidt een door het kind gedicteerd, geïsoleerd bestaan waarin de dagen en nachten nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Ze wentelt zich in de `zachte alledaagsheid van het moederschap'. Maar het is duidelijk dat er met haar iets niet helemaal in orde is en dat de baby — haastig verwekt in een morsige hotelkamer door een man die ze maar eenmaal heeft gezien — haar bestaan niet blijvend zal weten te vervullen. Ze probeert aanvankelijk net zo gedachteloos in het nu te leven als het kind, maar op zeker moment begint zich haar verleden te roeren, eerst in dromen, later in een groeiende stroom herinneringen. Pijnlijke herinneringen, aan een platonische jeugdliefde, die ten offer zou vallen aan haar escapade met de zanger van de band waarin hij gitaar speelde. Waarom Judith zich, net als de hoofdpersoon van Ottens debuut, tevredenstelt met een rol als groupie in plaats van zelf te zingen of te spelen, wordt nergens met zoveel woorden gezegd. Het zal wel te maken hebben met haar geringe eigendunk.

Stukje bij beetje voert Otten ons terug in het desolate bestaan van haar hoofdpersoon. Of ze nu seks heeft met een man in een appartement in Manhattan, een telefoongesprek met haar moeder of een laatste ontmoeting met haar jeugdvriend — altijd heeft ze het gevoel alleen te zijn. `Het was alsof het gesprek nooit had plaatsgevonden', staat er, direct nadat er beslissende woorden zijn gevallen. Het woord eenzaam komt in de roman niet voor, want dat is een woord dat een zeker inzicht verraadt in de situatie. `Leeg' en `vreemd' en `onzichtbaar' zijn de steeds terugkerende woorden die het existentiële ongemak tot uitdrukking moeten brengen.

Alleen wanneer ze naar muziek luistert, is de eenzaamheid die haar altijd begeleidt tijdelijk opgeheven. In popmuziek meent ze een essentie te vinden die haar in het `echte' leven altijd ontgaat. `Ze zoog de klanken en akkoorden en riffs en melodieën (...) in zich op. Ze had niets anders nodig. Ze wilde puur zijn en goed. Het liefst had ze helemaal geen eigen gedachten gehad', zo heet het als ze voor het eerst luistert naar de zware, hese stem van John Cale, de eigenlijke held van deze roman. Ze heeft het gevoel dat ze hem kent en dat hij een boodschap heeft voor wie goed naar hem luistert. Als ze jaren later luistert naar zijn 23 Solo Pieces for La naissance de l'amour (1993), besluit ze hem te gaan ontmoeten in Brussel, waar hij een concert geeft. Zoals zij hem kent van zijn muziek, zo zal hij haar ook `blindelings' herkennen, meent ze. Ze geeft zich uit voor zijn speciale gast en belandt na het concert achterin de auto waarmee hij naar zijn hotel wordt gebracht. Deze autorit vormt wel het dramatische hoogte- of dieptepunt van de roman, want natuurlijk herkent Cale haar niet. Dat levert een mooie, onderkoeld weergegeven scène op. Twee woorden richt hij tot haar, over haar leren jas. `Nice coat', zegt hij. Daarna stapt hij zonder te groeten uit de auto en verdwijnt uit haar leven. Je hoeft maar een paar nummers van John Cale te beluisteren, van Slow Dazzle bijvoorbeeld, om een idee te krijgen van de verwantschap die ook Christine Otten, de geestelijke moeder van Judith, met hem moet voelen. Het is ongrijpbare en weemoedige muziek. De snel vervluchtigende piano- en gitaarakkoorden, de rauwe, emotionele stem en de schrijnende uithalen laten de toehoorder aangedaan en verontrust achter. Zo is het ook met Lente van glas. Tussen de glasheldere, ogenschijnlijk zo alledaagse woorden steekt steeds weer een desolaat wereldbeeld de kop op, een verlangen om er niet te zijn.

Een driehoeksverhouding, een buitenechtelijk kind en een allesoverheersende liefde voor muziek. Zo zou je de hoofdingrediënten van Lente van glas, de tweede roman van Christine Otten, kunnen benoemen. Maar zulke besliste woorden doen geen recht aan de verbazing waarmee naar de wereld wordt gekeken en aan de breekbaarheid van de relaties die erin beschreven worden. Christine Otten schrijft stille romans. Ook haar debuut Blauw metaal (1995) lijkt met een vinger op de lippen geschreven te zijn, ondanks de belangrijke rol die de muziek daarin al te vervullen kreeg. Maar het kan ook juist door de muziek zijn waarnaar haar personages zo graag luisteren, dat men aan praten niet meer toekomt.

Christine Otten: Lente van glas. Atlas, 189 blz. ƒ34,90