`Alle schrijvers zijn dieven'; Gesprek met Eric Holder, provinciaal in de Franse letteren

Eric Holder : De uitdaagster. Uithet frans vertaald door Marianne Kaas. De Arbeiderspers 160 blz. fl. 29,90 Bienvenue parmi nous. Flammarion, 183 blz. f38,70

``Als schrijver kijk je, observeer je,' zegt de Franse schrijver Eric Holder. Je eigent je toe wat je ziet. Je voelt je schuldig, lomp. En dus geef je iets terug: je leest de hand van personen die niet werkelijk bestaan.' De in het Nederlands vertaalde Holder, die wordt gerekend tot de (schrijvers)generatie van `minder dan niks', publiceerde onlangs zijn vijfde roman.

Acht jaar was Eric Holder toen zijn ouders in de ban raakten van de revolutionaire geest die Frankrijk in 1968 beheerste. Zijn vader had aanzien als functionaris bij een verzekeringsmaatschappij, zijn moeder was van goede komaf en het gezin behoorde tot de grande bourgeoisie van Calais. ``In mei '68 zagen mijn ouders de musical Hair in Londen en raakten ze ondersteboven van wat er in Frankrijk te gebeuren stond' vertelt Holder met kinderlijk stralende ogen. ``Mijn vader vertrok op de fiets, met zijn hond, en belde twee maanden later uit het Zuid-Franse Ramatuelle. Mijn moeder haalde al het geld van de bank, laadde haar juwelen en haar vier kinderen in de auto, liet de deur van ons huis open staan en vertrok naar Ramatuelle. Daar woonden we in zo'n hutje waar arbeiders hun gereedschap voor de wijnoogst bewaren en sliepen we met z'n zessen in een bed. Het jaar daarop landde Armstrong op de maan. Mijn moeder, alleen gekleed in een string, serveerde toen in de zwembadbar van een nachtclub, waar poker werd gespeeld. Haar dienst duurde tot zes uur 's morgens, waarna zij werd afgelost door mijn vader die het zwembad onderhield. Tot mijn achttiende heb ik in de nachtclubs van Saint-Tropez gewerkt, was ik bevriend met de grootste popsterren en verdiende ik grof geld.'

Het is een beeld dat bijna niet te rijmen valt met de teruggetrokken, onzekere,ontwijkende schrijver uit Thiercelieux, die voor het eten nog even zijn boomgaard inloopt om wat appels te plukken en vervolgens een oude Le Monde uitvouwt om er zijn zelfgeteelde aardappels op te schillen. Tegen alles wat met de maatschappij te maken heeft koestert Holder een diep wantrouwen en zelf beschouwt hij zich als een hors-la-loi (vogelvrij).

Alleen in la maison bleue, zijn boerderij met lichtblauw geschilderde luiken, voelt hij zich thuis: `Ik ben de bekendste schrijver van Thiercelieux, 77, Seine-et-Marne', schreef hij in een kort verhaal met de titel Au milieu de nulle part: `Thiercelieux telt zo'n 50 zielen en het is nutteloos de naam op een kaart te zoeken. Het is niet meer dan een gehucht, zonder gemeentehuis, zonder winkel, zonder kerk, zonder bar, in een uithoek van de Brie'.

Zijn voorkeur voor een landelijke omgeving heeft Holder gemeen met schrijvers als Philippe Delerm, Jean-Pierre Ostende en Alain Spiess, die eerder dit jaar door het tijdschrift La Nouvelle Revue Francaise werden betiteld als les moins-que-rien, de generatie van minder dan niets. Bij hen geen moeilijke karakterontwikkelingen, geen breed uitgemeten drama's, geen stilistisch vuurwerk, maar ingehouden emoties en weggestopt gevoel. Miniaturisten noemt men ze ook wel, vanwege hun voorliefde voor details in zachte tinten en precieze observaties op de millimeter. Ook bij Holder is er nooit iets verpletterend, schitterend of wereldschokkend. ``Sommige schrijvers hechten aan het hele kleine in ons bestaan', zegt Holder eenvoudig, ``en verbinden daar waarden aan die bijna nergens anders belangrijk worden gevonden. Waarom kunnen wij zo achttien bladzijden volschrijven over een oogst? Ik weet het niet. Een ander heeft het niet gezien of niet begrepen en daarom denken wij misschien - pretentieus als wij zijn - dat een ander het leuk zal vinden erover te lezen.'

Zelf spreekt Holder liever van een litterature attentiviste (een opmerkzame literatuur), een litterature de promeneur (literatuur van de wandelaar) of van `een derde stem in de Franse literatuur'.

``Wat wij schrijven houdt het midden tussen het klassieke, zeventiende-eeuwse verhaal en de twintigste-eeuwse poezie. Wij schrijven proza dat naar de dichtkunst toegaat, dat voor de ene helft roman en voor de andere helft poezie is. Aan de ene kant Blaise Pascal, aan de andere kant Jacques Reda en Philippe Jacottet. Een boek is voor mij een uitgestoken hand naar de lezer. Die grijpt hem of niet. Een boek is voor vijftig procent het werk van de schrijver en voor de rest dat van de lezer. De auteur stippelt de route uit, maar samen asfalteren ze uiteindelijk de weg.'

In Holders vierde roman De uitdaagster - curieuze vertaling van L'homme de chevet dat verwijst naar de ziekenverzorger uit het boek - mag de lezer al zijn verbeelding aanwenden om het verleden en de toekomst van de twee hoofdpersonen vorm te geven. In dit prachtige, ingehouden boek schetst Holder, in opmerkelijk schaars taalgebruik en zonder op enig moment in larmoyant pathos te vervallen, een ontluikende liefdesrelatie tussen een volledig verlamde vrouw en haar ziekenverzorger, een ex-bokser. Achter een masker van snauwerige onverschilligheid verbergen de personages hun agressie, hun verbittering en hun diepgewortelde angst afgewezen te worden. Voordat ze, heel af en toe, in korte zinnetjes, iets van hun gevoel tonen, observeren ze wantrouwig elkaars doen en laten. ``Dat is wat ik doe', zegt Holder, ``ik zie hoe mensen leven. Als schrijver kijk je, observeer je. Je eigent je toe wat je ziet. Eigenlijk ben je een dief. Je voelt je schuldig, lomp. Je zou zoiets niet mogen doen. En dus geef je iets terug: je leest de hand van personen die niet werkelijk bestaan.'

Toch ontbreekt het ook de twee personages uit Holders recentste roman niet aan realiteitszin.

In Bienvenue parmi nous brengt een tienermeisje, dat door haar moeder is verstoten, enkele weken door in het gezelschap van een tweeenzestigjarige, beroemde kunstschilder die al jaren een painter's block heeft en zijn oude niveau niet meer kan bereiken. Hij heeft besloten zelfmoord te plegen - iets waarin je als lezer toch niet helemaal gelooft. Ditmaal is er geen sprake van een liefdesgeschiedenis, zoals in De uitdaagster of eerder in Mademoiselle Chambon. Hun reis lijkt eerder een zoektocht naar het geluk, een desperate poging tot verzoening met zichzelf, met het verleden en met de toekomst. ``Bienvenue parmi nous is wat je noemt een politiek incorrecte roman en het zal dan ook geen literaire prijs krijgen', vermoedt Holder, ``De jury's zullen niet gecharmeerd zijn van een kunstenaar op leeftijd met suicidale plannen. Zelf vind ik het een goed idee om zelfmoord te plegen als je denkt dat je je levenswerk voltooid hebt. De schilder uit mijn boek is alleen nog in staat tot puur academisme: naar model tekenen, kopieren. Zijn leven lang was hij een vooraanstaand kunstenaar die de wereld veranderde, zijn eigen leven steeds anders vorm gaf. Hij was bezig met kunst. Nu maakt hij alleen nog confectie.'

Holders hoofdpersoon geeft de voorkeur aan moderne schilders, maar begrijpt de schilderkunst van Vermeer `beter dan wie dan ook'. Holder zelf is idolaat van ``dat licht, die sfeer, die tastbare vrede die er van zijn werk uitgaan - je blijft je afvragen hoe hij dat heeft gedaan. Zelfs als je reproducties van zijn werk bekijkt, heb je het idee dat hij het geheim bezit van het ware leven, het magnifieke leven, het gedroomde leven.'

Het meisje uit Bienvenue parmi nous is `op de wereld gesmeten zoals een aardewerken voorwerp op het dienblad van een onhandige ober'.

``Dat is een beeld waar ik trots op ben', reageert Holder, die voor even zijn schuwheid over zijn eigen werk te spreken laat varen. ``Mijn hoofdpersoon zegt het duidelijk: Met welk recht onttrek je je aan de liefde van de ander? Wie denk je wel dat je bent, arme donder? We zitten allemaal op zo'n magnifiek, wankel blad. Morgen kan er iets gaan schuiven. Maar waar halen wij het recht vandaan er zelf vanaf te springen?'

    • Margot Dijkgraaf