Minister lovend over personeel na kritiek

DEN HAAG, 3 DEC. Minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) ziet “de zeer vele zeer goede mensen” op zijn departement als “het belangrijkste instrument” voor zijn beleid. Zijn opmerking in een recent vraaggesprek dat hij voor de vernieuwing van het personeelsbeleid op het ministerie vier maanden geleden “niet in een gespreid bedje” was beland, sloeg niet op de kwaliteit van zijn departement. En evenmin bedoelde hij dat het personeel te weinig bereid is tot vernieuwing.

Dit heeft Van Aartsen vanmorgen gezegd bij de voortzetting van de behandeling van zijn begroting in de Tweede Kamer. De minister, die zijn voorganger Van Mierlo uitdrukkelijk prees, onderstreepte dat hij er in het gesprek met Elsevier (21 november) op had gewezen dat Buitenlandse Zaken in de zoveelste ronde van een veranderingsproces zit. Dat is in 1995 begonnen met de Herijking. Daarna zijn automatiseringsplannen, in het regeerakkoord een efficiencytaakstelling (vijf procent minder geld) en vernieuwing van het personeelsbeleid aan de orde gekomen. “Wij hebben een grote kennisvoorsprong en die moeten we als coordinerend ministerie goed benutten”, zei hij. “Mijn personeel wil zelf ook naar geschiktheid en prestatie als normen voor het personeelsbeleid.”

Een meerderheid van de Kamer had de minister gisteren verweten dat hij zijn personeel demoraliseert door in vraaggesprekken kritiek te uiten op de kwaliteit en de onbeweeglijkheid van zijn ambtelijk apparaat. PvdA-woordvoerder Koenders had waardering voor de kordaatheid van de minister, maar vroeg zich af “of het schip van Buitenlandse Zaken de kapitein nog wel volgt”. De D66'er Hoekema, vroeger zelf werkzaam op het ministerie, had opgemerkt dat Van Aartsen in zijn vraaggesprek zelfs “los van de aarde” was geraakt. Hij vond zulk “management by interview” in plaats van “management by management” ook “niet elegant” jegens zijn voorganger Van Mierlo.

Het Tweede-Kamerlid Verhagen (CDA) had Van Aartsen gekritiseerd, omdat hij “op zijn ministerie de zwarte piet voor problemen toespeelt aan het personeel”. Dezelfde sprekers hadden echter ook duidelijk gemaakt dat zij de minister steunen op het punt van de noodzaak het personeelsbeleid te vernieuwen.

De plannen van minister Herfkens (ontwikkelingssamenwerking) om het aantal landen dat rechtstreekse bilaterale ontwikkelingssteun van Nederland krijgt van 78 tot circa 20 te beperken, hebben de steun van een meerderheid van de Kamer. Bij deze `ontpronking' van het beleid tekenen PvdA en GroenLinks wel aan dat zij meer willen horen over de uitwerking van de criteria (goed bestuur, democratie en armoedebestrijding) die Herfkens daarbij wil aanleggen. De rol van particuliere medefinancieringsorganisaties in landen die qua goed bestuur afvallen maar wel zo'n armoede kennen dat hulp aan de bevolking geboden is, moet ook worden verduidelijkt, vroegen Dijksma (PvdA) en haar collega Karimi (GroenLinks).

Een grote meerderheid van de Kamer bleek het ook eens met de opvatting van Van Aartsen en Herfkens dat Suriname de komende jaren niet in het centrum van het Nederlandse buitenlandse beleid dient te blijven staan. Dat land voldoet als ontwikkelingsland niet aan de voorwaarde van goed bestuur, meenden praktisch alle fracties. Oud-minister Voorhoeve (VVD) ging nog een stap verder door te zeggen dat de 2,4 miljard hulp die Nederland de afgelopen twintig jaar aan het in '75 onafhankelijk geworden Suriname gaf, in feite “verspild geld” is geweest.