Behoedzame strijd tegen zetelkleverij; HET BOLWERK - DEFENSIE

DEN HAAG, 2 DEC. Deze week verdedigt de jonge politieke routinier Frank de Grave in de Kamer de begroting van Defensie. Portret van een departement met een draagvlakprobleem.

De nieuwe voorzitter van de raad van bestuur heeft zijn medewerkers bijeengeroepen. Hij legt uit dat de doelstellingen van het bedrijf gehandhaafd worden en dat de productie op peil moet blijven. Maar, zegt hij, ondanks de bezuinigingen van de afgelopen jaren moet er meer bezuinigd worden. Ik kan u wel zeggen hoeveel, maar niet waarop en waarom dat hoort u over twee jaar nog van me.

In de positie van die nieuwe chef bevindt de 43-jarige VVD'er Frank de Grave zich als minister van Defensie, een post die hem vier maanden geleden toeviel als formatieverrassing. Deze week verdedigt deze jonge politieke routinier in de Tweede Kamer zijn eerste begroting (circa 14 miljard), maar vast staat al dat hij nog niet veel kan vertellen over zijn toekomstplannen. Want daaraan wordt nog gewerkt. Einddoel: de Defensienota-2000.

De Grave wil zo kort mogelijk met gebonden handen blijven zitten, en daarom al eind januari, ruim voor hij met de NAVO overlegt, komen met een `Hoofdpuntennotitie'. Die moet gaan over de toekomstige opzet en organisatie van het ministerie rondom twee hoofdtaken: VN-vredeshandhaving, naast collectieve verdediging in NAVO-verband als klassieke taak.

Tot veler ergernis op het ministerie ligt het uitgangspunt van de notitie, die een `voorschot' moet zijn op de Defensienota-2000, niet in plotseling veranderde internationale omstandigheden, maar in een financiele imperatief: de kortingen die in het regeerakkoord zijn afgesproken. Het gaat om vier keer 375 miljoen tot 2002, en daarnaast een op een half miljard geschatte bezuinigingserfenis van zijn voorganger en partijgenoot, Joris Voorhoeve. Na alle bezuinigingen die in PvdA-minister Ter Beeks Prioriteitennota van 1993 verwerkt waren, een nota die een antwoord op het einde van de Koude Oorlog was, moeten er ingrijpende keuzes worden gemaakt, zei De Grave direct na zijn aantreden - en niemand sprak of spreekt hem tegen.

Dus is het oude gevecht om de centen tussen de krijgsmachtdelen - marine, landmacht en luchtmacht, traditionele verdeelsleutel 1-2-1 - opnieuw begonnen. Zoals direct in september al bleek, toen de bevelhebber van de landmacht, generaal Schouten, alvast waarschuwde dat er op `zijn' Nederlands-Duitse legerkorps in elk geval niet mocht worden gekort.

Deze geregeld terugkerende `budgettaire dans van de krijgsmachtdelen' is zo oud als het ministerie. Tot de jaren zeventig, toen de organisatiestructuur `verticaal' was en de krijgsmachtdelen soms eigen staatssecretarissen hadden, voerden zij zelfs `structureel' oorlog met elkaar. Het laatste grote voorbeeld daarvan was het zogenoemde generaalsconflict, dat minister Vredeling eind '73 oploste door een handvol generaals te laten vertrekken. Dat conflict was in feite een gevolg van geheime studies van een groep jonge landmachtofficieren naar een goedkopere en modernere opzet voor de krijgsmacht, waarover zij - buiten de Defensietop om - rechtstreeks rapporteerden aan premier Biesheuvel ('71-'73).

Tegenwoordig is de verhouding van de krijgsmachtdelen `gehorizontaliseerd' en zijn hun toppen samengebracht in de Defensiestaf. De chef van die staf, generaal L. Kroon (marinier) is de eerste adviseur van de minister. Overigens heeft De Grave de directie algemene beleidszaken (DAB) als `denktank'. De secretaris-generaal, de van DAB afkomstige CDA'er Dirk Barth, is een veteraan met meer dan dertig dienstjaren die vooral organisatorische taken heeft. Op het ministerie heet het dat de jonge dynamische minister en zijn gedegen hoogste ambtenaar “nog wat moeite hebben om aan elkaar te wennen”.

Nagenoeg voorbij zijn de vroegere competentietwisten met Buitenlandse Zaken over het NAVO-kernwapenbeleid.

De bijna complete afschaffing van Nederlandse kernwapentaken heeft daarmee te maken. In de vroege jaren tachtig, toen heel Nederland nog sprak over de kruisraket had Defensie op dit gebied af en toe het voortouw. Met de druk publicerende en discussierende latere genie-generaal G. Berkhof (`Sjakie Plof') en de Groningse hoogleraar P. Volten, toen DAB-ambtenaar, als bekende exponenten.

De nieuwe minister was nog niet beedigd of de zoveelste kritische aflevering van het drama-Srebrenica (1995) rolde breed door de media. Voor De Grave was dat, naast de zo snel afgekondigde bezuinigingsverplichting, een signaal dat Defensie enkele jaren na het einde van de Koude Oorlog en het einde van de dienstplicht een maatschappelijk draagvlakprobleem heeft. Dus kwam hij met het idee over de toekomst van de krijgsmacht een brede maatschappelijke discussie te gaan organiseren, met de `hoofdlijnennotitie' van begin 1999 als basis. Op die manier kan er rondom het defensiebudget meer rust en stabiliteit komen, hoopt hij.

Geen goed idee, sprak VVD-fractieleider Dijkstal even later. De minister moet het beleid bepalen en het parlement moet dat beoordelen. De uitkomst van zo'n maatschappelijk debat zou wel eens kunnen zijn dat de al praktisch gehalveerde krijgsmacht dan nog eens moet worden gehalveerd, zei hij erbij. De Grave heeft zijn idee nog niet laten varen maar Dijkstals afwijzing ervan moet een pijnlijk tikje op zijn neus zijn geweest.

De stemming op Defensie, toch al matig wegens de nieuwe bezuinigingsronde, is in de hogere rangen verder verslechterd door De Graves mededeling, na het rapport-Van Kemenade over Srebrenica, dat er weliswaar “geen koppen zullen rollen” maar dat hij zijn medewerkers toch vaker op hun prestaties wil gaan beoordelen en zonodig zal vervangen.

Dit overtrof hij nog door deze week in een vraaggesprek met de Volkskrant te stellen dat als hoge militairen, ook generaals willens en wetens beschuldigingen naar buiten brengen, “ontslag volgt”.

Hoe moeilijk dat kan zijn, bleek eerder toen hij de al als commandant van de marechaussee voorgedragen brigade-generaal Roos in oktober hielp alsnog en “vrijwillig” voor die eer te bedanken. Dat de minister daarmee toegaf aan druk van de marechausseevereniging, leek zeker. Zijn besluit om Roos toch tot generaal-majoor te bevorderen en hem een functie bij de Nederlandse VN-missie in New York te geven, leek vervolgens mede een gebaar naar de militairen in de top van Defensie.

De Grave wenst, net als zijn partijgenoot Van Aartsen op Buitenlandse Zaken, meer dynamiek in het personeelsbeleid in plaats van zetelkleverij en de vaak nog voorkomende “automatische doorbevorderingen”. Daar zit een probleem: hij vindt de top van zijn ministerie nogal onbeweeglijk, maar moet daar behoedzaam over spreken omdat hij diezelfde top de komende tijd hard nodig heeft.