Reizende ombudsman op zoek naar de Nike-rel

AMSTERDAM, 1 DEC. Komt hij wel of komt hij niet? De onzekerheid over de vertoning van The Big One op het International Documentary Filmfestival (IDFA), gaf de Amerikaanse documentaire net dat vleugje controverse waar iedere deelnemer van droomt. Het gerucht ging dat de firma Nike, die in de film belachelijk wordt gemaakt, de vertoning zou hebben tegengehouden. De werkelijke reden - bureaucratische rompslomp? - spreekt waarschijnlijk minder tot de verbeelding. The Big One was gisteren onverwachts toch een keer te zien in Amsterdam, zij het met vier dagen vertraging.

De geruchten zullen documentairemaker Michael Moore zeker plezieren als hij ze al niet zelf in de wereld heeft geholpen. Moore leeft van mooie verhalen en controverses.

In zijn documentaire Roger and Me, trok hij ten strijde tegen General Motors omdat dat bedrijf een vestiging in Moore's geboortestad Flint (Michigan) had gesloten. De hele film lang joeg hij tevergeefs op een GM-topman.

The Big One is een duidelijk uitvloeisel van Roger and Me. Het voornaamste verschil is dat Moore zijn jachtgebied heeft vergroot. Na het succes van Roger and Me trekt Moore door de Verenigde Staten om zijn boek te promoten. In alle steden waar hij komt treft hij nieuwe misstanden aan die hij aan de kaak kan stellen.

De film heeft het losse karakter van een road-movie met bijbehorende vrachtwagenmuziek. Nergens gaat Moore diep in op de feiten. Hij rent voornamelijk met draaiende camera's bedrijfspanden binnen en wordt er weer uitgegooid. Net als bij filmer Nick Broomfield, die deze IDFA met een retrospectief wordt geeerd, gaat het om de rellerige speurtocht; niet om wat er gevonden wordt. Het merendeel van de beelden is schokkerig onscherp en grofkorrelig. De kijker ziet veel vloeren van bedrijfslobby's en uitgestrekte handen van veiligheidspersoneel. Het geeft de film dynamiek en authenticiteit. Moore komt niet om een mooie film te schieten hij is op een missie.

Zijn boodschap is lekker simplistisch: bedrijven die winst maken, mogen geen mensen ontslaan. Moore heeft iets van een reizende ombudsman. Waar hij ook komt, overal komen arbeiders naar hem toe om hun nood te klagen. Zelfs de medewerkers van de boekhandelketen waar Moore zijn boeken signeert, komen zich beklagen over de baas.

Meer nog dan in Roger & Me draait de The Big One om Moore's charmante persoonlijkheid; nog een overeenkomst met collega-filmer Broomfield. Op zijn boeksigneer-sessies ontpopt Moore zich tot een kundig stand-up comedian die de beelden van een ideologisch kader voorziet. Zijn grote kracht blijft zijn geweldige humor. Na een stevig gesprek in de lobby van een zeepfabrikant, vraagt hij de wanhopige pr-medewerkers rustig om een uitgebreid wasadvies. “Wanneer is het nu wit en wanneer is het bont?”

Uiteindelijk krijgt Moore zowaar Nike-topman Phil Knight te spreken. Nike stemde waarschijnlijk in met een geprek om erger te voorkomen. De charmante, vlotgeklede man weet de harde vragen van Moore maar moeilijk te pareren. Volgens Knight willen Amerikanen geen schoenen maken en laat hij ze daarom produceren in Indonesie. Met de uitbuiting valt het daar wel mee. Van kinderarbeid is ook geen sprake: “Ze zijn minstens veertien.”