Personeel BZ dringt al jaren aan op vernieuwing

De laatste weken komt er niet veel goed nieuws uit het ministerie van Buitenlandse Zaken. Veel feiten komen er niet naar buiten, maar dat er iets aan de hand is met reorganisaties, bezuinigingen, dwarse diplomaten en boze personeelsorganisaties, lijkt duidelijk.

Het is waar, er heerst boosheid en onrust op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar dat is slechts een deel van het verhaal het slechtste deel wel te verstaan. Er is ook beter nieuws: eindelijk is het ministerie zover dat er een plan ligt voor een nieuw personeelsbeleid dat brede steun krijgt onder het personeel.

Het heeft lang geduurd voor het zover was, want al ten tijde van de herijking drong de personeelsvertegenwoordiging aan op haast met vernieuwing van het personeelsbeleid. Een externe consultant legde in 1997 haarfijn de vinger op een van de zeerste plekken: de verschillen in behandeling tussen zogenoemde niet-overplaatsbare en overplaatsbare ambtenaren, ofwel tussen departementsambtenaren en diplomaten. Daar moest iets aan gebeuren. De ondernemingsraad verwoordde zijn ideeen begin 1998 in een stuk getiteld Niet morrelen maar durven.

In het beleidsplan, dat in september jl. werd voorgelegd aan de personeelsvertegenwoordiging, zijn de kernideeen van de ondernemingsraad overgenomen. Er komt een rechtspositie voor de BZ-ambtenaren, waarmee het verschil tussen departementsambtenaren en diplomaten wordt opgeheven. Er komt een systeem van interne functiewisseling dat voor iedereen op gelijke voorwaarden geldt en iedereen krijgt opleidings- en ontplooiingskansen. Het plan heeft alles in zich om een objectiveerbaar en inzichtelijk personeelsbeleid tot stand te brengen, waarin het personeel vertrouwen kan hebben. Minister van Aartsen kan nu goede sier maken door uit te dragen dat het echt anders moet met de `sleetse carrierepatronen' bij Buitenlandse Zaken, maar zonder de jarenlange druk van het personeel was deze grondige vernieuwing er niet geweest.

De onrust van de laatste weken heeft een andere geschiedenis. Nadat het kabinet Kok-I in 1996 het buitenlands beleid herijkte, is het ministerie ingrijpend gereorganiseerd. Er werden regiodirecties en themadirecties opgericht, die met elkaar samenwerken in een `matrixmodel'. De departementsleiding werd uitgebreid met een directeur-generaal regiobeleid. Veel taken werden gedecentraliseerd naar de buitenlandse posten, en de organisatie werd uitgebreid met honderd formatieplaatsen.

Een `standopname' van begin dit jaar toonde aan dat de nieuwe organisatie nog niet goed functioneerde. Het matrixmodel vergrootte de bureaucratie. De decentralisatie had niet tot de gewenste effecten geleid, in plaats daarvan werden alle besluiten weer omhoog gezogen naar de departementsleiding. Tot een open organisatie waarin de besluiten op werkniveau tot stand komen was het niet gekomen.

De top kreeg er in het rapport van de externe consultant trouwens nogal van langs: “Doe wat je zegt en zeg wat je doet”, was het advies. Een managementbrief van de leiding en twee directeurenconferenties waren het resultaat, plus het goede voornemen prioriteiten te gaan stellen. Maar tot merkbare verbeteringen heeft dat allemaal niet geleid. Ondertussen kwam dit najaar een bezuinigingsopdracht van 5 procent van het nieuwe kabinet, bleek de personeelsbegroting overschreden te zijn, en kondigden de nieuwe ministers aan politieke prioriteiten te zullen gaan stellen. De departementsleiding stapelde dit allemaal op elkaar en begon eind september een `efficiency-operatie'. En toen ging het mis.

Alle directies en ambassades kregen de opdracht plannen op te stellen om 20 procent te bezuinigen. Medewerkers in het buitenland kregen het verzoek of ze langer op hun post wilden blijven (dat scheelt verhuiskosten).

Anderen kregen te horen dat hun functie bij een bezuiniging van 20 procent zou moeten verdwijnen. Maar over de organisatorische en politieke prioriteiten bestaat nog steeds geen duidelijkheid.

En tegelijkertijd suggereert minister van Aartsen in Elsevier dat ambtenaren van andere ministeries het werk beter kunnen doen dan de BZ'ers (“Bij Landbouw weet ik er zo een stel'), en oefent hij zijn invloed uit op een aantal benoemingen met voorbijgaan aan alle goede voornemens uit het nieuwe personeelsbeleid. Dat draagt allemaal niet bij aan de goede sfeer en het vertrouwen in de leiding.

Het grootste probleem bij de uitvoering van de zg. efficiency-operatie is de enorme stroperigheid onhandigheid, en ondoorzichtigheid waarmee de hele operatie verloopt. “Hang yourself', roept de departementsleiding tegen de medewerkers, “wij weten ook niet hoe het moet'. “De kaasschaafmethode zal niet worden toegepast', verklaart de secretaris-generaal aan de ondernemingsraad, maar ondertussen besluit de top dat de bezuinigingen evenredig moeten worden verdeeld over de organisatie-onderdelen. “De topstructuur deugt niet' zegt de minister, maar vervolgens vliegt de top elkaar in de haren en gebeurt er niets.

Het eerder genoemde onderzoek naar het personeelsbeleid van Buitenlandse Zaken constateerde naast een aantal negatieve punten een zeer sterke inzet, loyaliteit en betrokkenheid van de BZ'ers. Ook op de kleine buitenlandse posten is de 36-urige werkweek ingevoerd zonder compensatie, terwijl er steeds hogere eisen worden gesteld aan management en beheer, en meer prestaties worden verwacht op consulair gebied en bij de handelsbevordering.

Tegelijkertijd gaat iedereen ervan uit dat alle andere taken nog steeds op hetzelfde niveau kunnen worden uitgevoerd.

Over werkweken van 50 uur zeurt niemand vakanties worden zonder morren uitgesteld, en het ziekteverzuim is ook nog heel laag: ze zijn echt gemotiveerd!

Maar nu is het personeel van Buitenlandse Zaken boos. De ondernemingsraad verwacht van de Tweede Kamer en de minister tijdens de begrotingsbehandeling onvoorwaardelijke steun aan het nieuwe personeelsbeleid en duidelijkheid over de politieke agenda, daarbij inbegrepen de landenkeuze voor ontwikkelingssamenwerking. Ook moet er worden aangegeven welke taken kunnen worden afgestoten.

De ondernemingsraad en het personeel van Buitenlandse Zaken zijn niet tegen verandering, maar wachten al te lang op daadkracht en een heldere koers.