Pax Christi vijftig jaar vredesduif

De oprichting van vredesbeweging Pax Christi Nederland geschiedde op bevrijdingsdag van 1948 op het station van Utrecht, in de tweede klas wachtkamer. Initiatiefnemers waren deelnemers aan de bedevaart van Pax Christi International, een jaar eerder, naar Lourdes. Ze waren daar met 10.000 katholieke jongeren uit diverse Europese landen samengekomen. De sfeer van verzoening door gebed, bezinning en ontmoeting had hen bijzonder aangesproken.

Het novembernummer van Een Twee Een, het blad van de rooms-katholieke kerk in Nederland, besteedt een speciaal katern aan het vijftigjarig bestaan van Pax Christi Nederland, dat het afgelopen weekeinde in Utrecht is gevierd. Een artikel vermeldt dat de nationale sectie zich in het eerste decennium na de oorlog vooral bezig hield met wandelingen, waarbij de verbroedering centraal stond. Naast het artikel is een mooie oude foto geplaatst. Het onderschrift luidt: Pax Christi-voettocht door het Brabantse land. De wandelaars doen denken aan volwassen padvinders geitenwollensokkendragers en (bebaarde) wereldverbeteraars, met wie leden van Pax Christi werden vereenzelvigd.

Laat Pax Christi het niet horen! De gemiddelde leeftijd van de 13.000 leden mag royaal boven de vijftig jaar liggen, de katholieke beweging “staat midden in het leven”, zegt woordvoerder Gied ten Berge. Na het begin van de zogenoemde herorientatie, in 1959, zijn studie en actie steeds belangrijker geworden en vanaf 1965 werd de band met de voettochten losser. Pax Christi nam in 1966 het initiatief voor een oecumenische vredesbeweging: het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), dat in 1977 de campagne tegen de kernbewapening lanceerde. Nog niet vergeten zijn de demonstraties tegen het plaatsen van kruisraketten in Woensdrecht, met in Amsterdam (1981) en Den Haag (1983) respectievelijk 400.000 en 550.000 deelnemers.

Als katholieke vleugel van het IKV timmerde Pax Christi met name aan de weg ten tijde van de Koude Oorlog. Zo leverde de beweging een bijdrage aan de ontspanning tussen de partijen voor en achter het IJzeren Gordijn waar ze katholieke dissidenten ondersteunde. Wegens die activiteiten was ze vanaf 1981 niet meer welkom in de DDR.

Pax Christi oogstte aan het einde van de jaren zestig bewondering door zijn streven in Nederland een klimaat te scheppen waarin plaats was voor erkenning van het recht op zelfbeschikking van de Palestijnen.

Wat doet Pax Christi Nederland anno 1998? De beweging voert nog immer campagne tegen de conventionele bewapening, waarvan haar recente strijd tegen de landmijnen een uitvloeisel is. “Een van onze zes mensen in vaste dienst is een mijnenexpert”, zegt woordvoerder Ten Berge. Pax Christi ziet zich verder als een verzoener, als een intermediair die opereert in “landen met tragische, niet te beeindigen problemen”, zoals Ten Berge het omschrijft. Hij bedoelt onder meer de oorlogen in Bosnie, Soedan en Kosovo en de guerrillastrijd in Colombia.

Het klinkt indrukwekkend. Maar Ten Berge voegt er meteen aan toe dat Pax Christi Nederland bij die projecten slechts “een schakel” is. De beweging werkt nauw samen met haar moederorganisatie, Pax Christi International. In haar eentje moet de nationale sectie zich beperken, aangezien de financien geen bokkensprongen toelaten. Jaarlijks ontvangt ze aan contributies, collecten en fondsenwerving twee miljoen gulden. Daarnaast komt er nog vijf ton binnen door de verhuur van zalen van het zogeheten stiltecentrum in Utrecht.

In dat stiltecentrum, overgenomen van de vergrijsde Zusters van de Eucharistie, ondersteunt Pax Christi “mensen die met de ziel onder de arm voorbij komen”. Het tonen van menslievendheid mag geen hoofdtaak worden Pax Christi wil een vredesduif blijven.

Ten Berge herinnert aan de Vredesweek. Pax Christi deelde in de katholieke kerken dit jaar 100.000 briefkaarten uit, gericht aan de minister van Buitenlandse Zaken. De gelovigen vroegen de bewindsman daarin onder meer “zijn invloed aan te wenden om, in verdachte regio's, rapporteurs en controleurs aan te stellen die kinderen uit het oorlogsbedrijf halen”.

    • Guido de Vries