O, wat ben ik eenzaam

Onlangs was ik op een feestje.

Ik was pas laat binnengekomen.

En ik dacht: hoe kom ik hier snel weg.

Bij de deur werd ik staande gehouden door de eenzame gastheer.

“Hoe gaat het nou”, zei hij.

Ik was dronken en ik dacht laat ik maar wat aardigs zeggen.

“Eenzaam”, zei ik “eenzaam.”

“Ja, we zijn allemaal eenzaam”, zei die, “Jan zit boven, die is ook eenzaam.”

“Ja dat zal wel”, zei ik en ik realiseerde me dat het om de Jan ging van wie een van zijn beste vrienden zich net had opgehangen.

“Goed”, zei ik, en ik begon alvast weg te lopen.

Eenmaal op straat deed ik opgelucht mijn jas pas aan en ik begon met een stevige pas aan de thuisreis.

Gelukkig regende het maar ik begon toch aan mijn vader te denken. Altijd aan m'n Vader, en aan al die andere kerels van vroeger. Al mijn ooms, die kerels met dikke polsen en dikke handen. Kerels die flessen jenever dronken, kerels van twee pakjes Caballero per dag. Hoe zou het met hem zijn, dacht ik, hij was al tien jaar dood nu.

Jezus, wat voelde ik me eenzaam.

Een taxi reed me bijna omver.

Jezus wat een lul, dacht ik, mijn Vader had hem tegen z'n rotdeur getrapt. Mijn Vader was nooit en voor niemand bang, zo'n vent was dat. Nooit en voor niemand was hij bang geweest. Ook niet die keer dat ik mezelf uit angst voor Hells Angels in een snackbar had opgesloten. Toen ik hem belde, was-ie gewoon zelf gekomen, gewoon zelf! Opdonderen had-ie gezegd, en opgedonderd waren ze die klootzakken. Zo'n vent, dat was m'n Vader. Met van die dikke polsen nog. Met van die grote handen met echt dikke vingers eraan, zo'n kerel. Jezus waar zijn ze gebleven, waar was iedereen gebleven.

Jezus wat was ik eenzaam.

Opeens was ik thuis, iedereen sliep. Ik telde de kinderen 1, 2, en 3 en ik keek naar mijn vrouw, buiten begon het nog harder te regenen. Count your blessings, verdomme, count your blessings nou eens, lul. En zelf doen, zelf doen, dacht ik, en ik dacht weer aan m'n vader en tolde toch nog dolgelukkig m'n bed weer in.