...MAAR OOK CONFORMISTISCH

Zijn ze goed, die nieuwe Kamerleden? “Ik vind ze goed”, oordeelt Weisglas. Zijn ze betrokken? Matig, vindt Hans Hillen Kamerlid voor het CDA sinds 1990. Hij stoort zich aan de zakelijke inslag van jonge parlementariers. “Ik vind dat ze hun dossiers niet met hart en ziel, maar met hun horloge beheren.”

Hillen ziet naast een zekere braafheid ook een snelle assimilatie met de directe omgeving als kenmerkend. “Ik schrik er van, sommige nieuwelingen zie je al klonen worden van de beleidsmedewerkers: ze gaan precies dezelfde moeilijke woorden gebruiken.” Wat maakt het dat de nieuwe lichting ogenschijnlijk zo conformistisch is. Onder de kaasstolp van het Binnenhof dwingen de fractiediscipline en de mores de nieuwelingen tot aanpassing. De Kamer “absorbeert, egaliseert en nivelleert”, zo zegt Hillen. Wie autonoom wil zijn, moet sterk in zijn schoenen staan. Het zijn dan ook slechts eigenzinnige en door het leven gelouterde types, die zich hieraan weten te onttrekken.

Wouter Gortzak, voormalig directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA en oud-hoofdredacteur van het Parool, is zo iemand. Hij wil graag zijn onafhankelijkheid bewaren en is van plan zich minder aan te trekken van de “waanzinnige hoeveelheid papier die iedere dag op je bureau neerdaalt” en van de “nooit eindigende reeks vergaderingen die zich aan je opdringt”.

Laatst hield collega-fractielid Adri Duivesteijn hem, op weg naar weer een vergadering, staande. “Wouter, wat loop je met een gejaagde blik rond. Het gaat mis met jou, als je niet uitkijkt, word je onderdeel van het systeem”, maande Duivesteijn de oudere junior. Gortzak kan er de humor wel van inzien. “Inderdaad, het is hier een veel groter gekkenhuis dan ik had gedacht”, stelt hij voor zichzelf vast.