Juridisch steekspel na `gruwelijk leed'

TOKIO, 30 NOV. Een rechtbank in Japan heeft de deur opengezet naar een erkenning-op-termijn van het leed dat onder anderen Nederlandse gevangenen in Japanse kampen in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan.

“We hebben bij de Japanse regering nu een voet tussen de deur” zei voorzitter G. Jungschlager van de Stichting Japanse Ereschulden (SJE) vanmorgen in Tokio. Het kalme commentaar van Jungslager was een groot verschil met de woede van de Brit Arthur Titherington die een week geleden met zijn vuist op tafel sloeg en riep: “Er is geen rechtvaardigheid in dit land”.

Titherington was lid van een groep voormalige gevangenen uit Angelsaksische landen die in een vergelijkbare rechtszaak vorige week hun eis tot schadevergoeding met een streek van tafel zagen geveegd.

Twee vrijwel identieke rechtszaken, twee verschillende uitspraken. Titherington was woedend omdat de rechter de getuigenissen over het ondergane leed van de voormalige gevangenen niet relevant achtte. “Ze erkennen niet eens het leed dat wij hebben geleden”, zei een ziedende Titherington.

De rechter had vorige week geen interesse in de getuigenissen, omdat de aanklagers als individu sowieso geen claim voor schadevergoeding bij de Japanse staat kunnen neerleggen op basis van een internationaal verdrag. Zaak gesloten.

Ook in de zaak van de Nederlanders heeft rechter Taiji Kajimura besloten dat individuen de Japanse staat niet kunnen aanklagen. Maar Kajimura erkent wel dat het “gruwelijke leed” dat de Nederlanders aan de hand van Japanse soldaten hebben ondergaan “in strijd is met het Haags Verdrag van 1907 en de Geneefse Conventie van 1929”.

Advocaat Kunio Aitani noemde deze uitspraak “een grote stap”. Wat nu rest in het beroep dat de Nederlanders aanhangig zullen maken is dus de vraag of de Nederlanders zich inderdaad niet kunnen beroepen op een internationaal verdrag. “Een juridisch steekspel”, aldus Jungslager.

Jungslager meent dat de kijk van de Japanse rechter op de reikwijdte van internationaal recht conservatief is en men in bepaalde westerse landen dit recht al veel verder laat doorwerken in de binnenlandse rechtspraak.

Het is niet duidelijk waarom de twee rechtbanken in de Nederlandse en de Angelsaksische zaak tot een verschillende uitspraak zijn gekomen. Een van de advocaten van de Nederlandse groep opperde vanmorgen tijdens de persconferentie dat wellicht uitspraken van koningin Beatrix tijdens het staatsbezoek in 1991 over het oorlogsverleden van invloed zijn geweest. “Veel Japanners wisten toen niet eens dat deze geschiedenis tussen onze beide landen bestaat. Nu staat de viering van 400 jaar Nederlandse-Japanse relaties voor de deur en rijst de vraag: wat doen we met de feiten?” De advocaat verwees hiermee naar de viering van vierhonderd jaar vriendschappelijke relaties die de Japanse en Nederlandse regering in goede harmonie in 2000 willen vieren. De voorbereidingen zijn al vergevorderd, waarbij de kroonprinsen van beide landen als boegbeelden in een erefunctie zijn ingeschakeld. De Nederlander Barend Cohen van de SJE zei vandaag: “Ik hoop dat het er inderdaad vierhonderd zullen zijn en we de vier oorlogsjaren niet in mindering hoeven te brengen.”

Vanuit een onverwachte hoek is inmiddels enige Japans-Nederlandse verbroedering begonnen. De Nederlanders hebben steun gekregen van voormalige Japanse militairen. Op de Nederlandse persconferentie vanmorgen in het Tokiose paleis van justitie was ook oud-soldaat Tomoya Kanbayashi aanwezig van de Landelijke Vereniging voor Compensatie voor Geinterneerden, let wel: Japanse ex-geinterneerden. De vereniging telt zo'n 70.000 leden en “wil steun geven aan het bereiken van rechtvaardigheid”, zei een stramme Kanbayashi tot de verzamelde pers.

Terwijl de ergste lijdensweg voor de Nederlanders in 1945 voorbij was, moest voor een man als Kanbayashi het ergste nog beginnen. Hij behoort tot de een groep van rond de 600.000 Japanse soldaten die in augustus 1945 in Noord-China in zeer korte tijd door de Russen gevangen is genomen. Rusland en Japan waren niet in oorlog totdat de Russen kort voor Japans capitulatie plots de aanval openden en als een stoomwals over Noord-China rolden. De Japanse soldaten werden als dwangarbeiders weggevoerd naar Siberie en een op de tien is daar om het leven gekomen. Een deel kwam pas na tien jaar weer thuis.

Zestien jaar lang hebben deze Japanse ex-militairen tevergeefs een juridische strijd tegen hun eigen regering gevoerd voor compensatie voor de jaren van dwangarbeid. Nu stellen ook zij hoop op de rechtszaak van de voormalige tegenstanders. En de steun is wederzijds. Jungslager: “Ik steun deze man in zijn strijd voor gerechtigheid.”

De strijd van de Nederlandse groep voor excuses en een schadevergoeding wordt, zoals gezegd, een juridisch steekspel. Dit is ook de wijze waarop de Japanse media het nieuws over de zaak brengt: droog, zonder commentaar, het is uiteindelijk afhankelijk van de rechter. Een geheel andere benadering dan de Chinese president Jiang Zemin de afgelopen dagen kreeg wegens zijn eis dat Japan zich opnieuw excuseert. Conservatief Japan schreef dat Japan zich allang heeft geexcuseerd. Zelfs de liberale veteraan van de Japanse journalistiek Soichiro Tahara, zei dit weekeinde: “Waarom gaat Jiang maar door over de geschiedenis, over het Japanse historisch besef. Ik denk dat de meeste Japanners allang vinden dat de invasie van China een zeer kwalijke zaak was en er berouw over hebben.”

Maar uiteindelijk gaan beide zaken over dezelfde kwestie: Japanse excuses. Jiang zocht zijn gelijk via diplomatieke onderhandelingen, de Nederlanders zoeken het in een rechtszaak. Want, zei Cohen, “het geld van een schadevergoeding interesseert mij geen zier en zal ik aan een goed doel schenken, het gaat om een excuus.”