Half mens, half aap

De Teylers Museum Gids. nr. 11/12. nov/dec 1998. Uitg. Meulenhoff, 196 blz. Prijs f34,90.

De reden dat Teylers Museum in Haarlem een van de leukste musea van Nederland is, is dat je er als bezoeker het gevoel hebt dat je er zelf nog iets kunt ontdekken. Vooral in de eerste zalen, waar de elektriseermachines en de afgietsels van mammoetbotten staan, en waar de schelpen naast de fossielen in de vitrines liggen, staan zoveel kabinetten en kastjes dat je je niet kunt voorstellen dat iemand nog weet wat er in al die laden verborgen ligt - de zalen van Teylers zijn net een grote rommelzolder.

Alleen om die reden al was het een uitstekend idee van de redactie van De Gids om vijftig schrijvers, wetenschappers en politici uit te nodigen een voorwerp uit de collectie van het museum te kiezen en daar een persoonlijke `impressie' over te schrijven. Daarmee werd het laatste Gids-nummer een rondleiding door het meer dan tweehonderd jaar oude museum, en dat is extra leuk omdat je bij veel auteurs de trots nog kunt teruglezen over het feit dat ze het onderwerp van hun beschouwing tussen al die spullen hebben opgespoord. Veel van hen vermelden dan ook het catalogusnummer van hun voorwerp, alsof ze bang zijn dat niemand het anders ooit nog zal weten terug te vinden. En inderdaad hebben ze heel wat opgedoken: Paul Bogaert schrijft een gedicht over een mammoethaar kunsthistorica Frederike Huygen vond een verdroogde oorschelp in een van de kasten, terwijl hoogleraar J.H. van der Waals in een `nietig doosje' in de ovale zaal het topje van de Mont Blanc aantrof, door Horace Benedict de Saussure hoogstpersoonlijk in 1787 van de berg afgehakt.

Dat juist Teylers zich goed leent voor dit Gids-project komt ook doordat het zo'n veelzijdig museum is - niet alleen heeft het een uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke objecten, er is ook een stevige verzameling beeldende kunst. Daarvan zijn vooral de etsen (Rembrandt!) en de tekeningen (Michelangelo!) bijzonder, al is het spijtig dat de tekeningen, zoals Nelleke Noordervliet terecht opmerkt, niet meer zoals tot voor enkele jaren, verborgen hangen achter de zwarte gordijntjes die ze tegen het daglicht beschermden. (Die gordijntjes maakte het kijken naar een tekening in Teylers bijna tot een obscene daad, alsof je naar de peepshow ging.)

Bovendien is de kunstcollectie van Teylers er een `waarvan je moet houden'. Zelf word ik altijd wat melig van die overvloed aan negentiende-eeuwse binnenhuistafereeltjes en hyperrealistische landschappen van de familie Koekkoek - zo niet Hedy d'Ancona, voormalige minister van cultuur, die precies zo'n schilderij (Vertrouwelijke mededeling, twee roddelende vrouwen van A.H. Bakker Korff) tot haar favoriet uitroept.

Gezien die collectie hoeft het geen verbazing te wekken dat verreweg de meeste auteurs ervoor hebben gekozen om een object uit de natuurwetenschappelijke afdeling tot onderwerp van hun beschouwing te maken. Merkwaardig genoeg is een aantal van hen daarbij op precies hetzelfde voorwerp uitgekomen - wat een hele prestatie is, uit die overvloed van objecten. Maar grappig is het wel: want daardoor is het alsof je twee rondleidingen achter elkaar krijgt, wat de verleiding tot vergelijken groot maakt. Zo schreven zowel Maarten Doorman, Ed Leeflang als Atte Jongstra een gedicht over een holle spiegel en wijdden zowel Nelleke Noordervliet als Bart Vos een beschouwing aan de maquette van de Mont Blanc die het museum bezit. Voor allebei is dit `bouwwerk' vooral een aanleiding om een beschouwing over de eerste beklimming van die berg te schrijven, waarbij Vos net iets beter op de hoogte is dan Noordervliet. Vos legt de nadruk op het tragische verhaal van de arts Michel Paccard. Die was, samen met gemzenjager Jacques Balmat, de eerste die de berg in 1786 beklom, maar raakte in de vergetelheid doordat De Saussure, die pas een jaar later kwam, met de eer ging strijken. Paccard vocht jaren voor eerherstel en kreeg in 1986 een eigen standbeeld - maar dat tuurt ergens bij de Mont Blanc naar de gebeeldhouwde ruggen van De Saussure en Balmat.

Het aardigste in deze Gids zijn echter de twee stukken over de zogenaamde Piltdown-mens, een in 1912 gevonden schedel waarvan jaren werd gedacht dat het de eerste bekende schakel tussen mens en aap was. Dat bleek iets te letterlijk te kloppen: onderzoek in 1953 toonde aan dat de bovenkant van de schedel van een vijfhonderd jaar oud mens was maar dat de kaak afkomstig was van een zeshonderd jaar oude orang-oetan. Beide auteurs, Klaas van Berkel en Martijn van Calmthout zijn er echter heel tevreden over dat de nepper desondanks in de collectie van Teylers is gehandhaafd: de valse schedel is de perfecte samensmelting van kunst en wetenschap.