Feldmans schaduw over Ives Ensemble

Concert: Ives Ensemble. Gehoord: 26/11 Concertgebouw Amsterdam.

Japanse kunst wordt vaak geassocieerd met de kleur wit, met eilanden temidden van eindeloze watervlakten, met oases van stilte. Maar je zou ook kunnen kiezen voor de kleuren zwart en grijs, voor Takemitsu's `rijke rivieren aan klank.'

Associaties met Japanse ingehouden kunst, leverde het uiterst geconcenteerd en intiem verfijnd musicerend Ives Ensemble. Maar juist niet in het enige Japanse werk! Bij The serotinous (De treuzelaar) van Jo Kondo (1947) dacht ik eerder aan een manke Webern, als de pianosolist voortdurend achter de instrumenten aanhinkt. Associaties met de schril klinkende Japanse shakuhachi drongen zich op in Stanza 3 van Richard Rijnvos (1964) voor basdwarsfluit en acht strijkers. Tegen de verglijdende tonen van de diepe fluit ritselen en lispelen de strijkers in een al even beschouwelijk decor van zwarte en grijze schaduwtinten.

De Franse schilder-graficus Odilon Redon (1840-1916) zei: “Zwart verdient ons respect. Het laat niet met zich sollen. Het wekt geen sensualiteit op en is een betere uiting van de geest dan welke kleur ook.” Dat karakteriseerde dit bijzondere concert met concertante werken. Maar virtuoos en extravert waren de stukken geen van alle, hooguit Piece for trumpet and seven instruments van Stefan Wolpe, de leraar van Morton Feldman. Feldmans schaduw valt over vrijwel elk optreden van het Ives Ensemble. Alleen al daardoor onderscheiden die zich van vergelijkbare ensembles, wier programmering steeds meer naar elkaar toetrekt.

De Schot Magnus Robb (1970), leerling van Feldman, droeg bij met een conceptueel Sprosser, hallucinations of purity, in de bezetting voor slagwerk en strijkkwartet. Robb, die net als destijds Messiaen ornithologie als hobby heeft, verwerkte de nachtegaal in de harde houten trommen en lijsters in flinterdunne strijkersflageoletten. Dit zwart is dof, zeker niet het levendige zwart van Rijnvos, want zwart en zwart is twee. Zo kregen we naast een manke Webern een gemankeerde Messiaen, waar ik geen nachtegaal waarnam, eerder een verzameling spechten.

Voor de consequentie in de uitwerking viel respect op te brengen, ook voor de concentratie van slagwerker Arnold Marinissen, de drijvende kracht in het ensemble waar het ritselende stabiliteit betreft.

Het meest gecharmeerd was ik van Slip voor fagot en kwintet van de Canadese Allsion Cameron (1961), alweer een premiere en alweer ingehouden muziek. De verlevendiging met doedelzakmuziek heeft Camerons muziek heeft dat niet nodig, die is al sterk genoeg.