Euroland kan niet leren van Japan

In zijn artikel in NRC Handelsblad van 18 november betoogt hoofd arbeidsvoorwaarden van FNV Bondgenoten, K. Douma, dat de Eurolanden, in navolging van Japan, een Keynesiaans beleid moeten voeren zodra de economische crisis Euroland zou treffen. Japan lijdt echter aan een volstrekt andere kwaal dan Euroland. De belangrijkste les die te trekken is uit de Japanse crisis is dat een al te innige relatie tussen overheid en grote ondernemingen op korte termijn tot economische groei kan leiden maar onvermijdelijk ten onder gaat bij gebrek aan correctiemechanismen. Van effectief overheidstoezicht op ontsporende banken en ondernemingen is in Japan geen sprake.

De bevolking reageert op de ontstane onzekerheid met een kopersstaking. De Japanse overheid probeert de economie te reanimeren met een recept van bestedingsimpulsen. De patient reageert echter niet. Wat de patient nodig heeft is vertrouwen. Vertrouwen wordt gecreeerd door de oorzaken van de kwaal aan te pakken. De belangrijkste Japanse les is dat problemen voorkomen moeten worden door efficiente marktwerking, met een krachtdadige overheid als toezichthouder, niet als grootaandeelhouder.

Het Japanse ziektebeeld is vaak beschreven, en ook het benodigde medicijn. Als Euroland getroffen wordt door een economische crisis zou het financieringstekort op mogen lopen. Mogen lopen? Moeten lopen, aldus Douma. Want hij stelt dat een Keynesiaanse bestedingsimpuls in dat geval noodzakelijk is. Gezien het grote verschil in economische structuur is het echter onwaarschijnlijk dat een economische terugslag in Europa zelfs maar in de buurt komt van wat er in Azie is gebeurd. De zwaktes in de economieen van de diverse Eurolanden verschillen, maar hebben in het algemeen betrekking op te hoge collectieve lasten, een inflexibele arbeidsmarkt en onvoldoende aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Een heel ander ziektebeeld dan in Japan. De belangrijkste impuls die gegeven kan worden is een verlaging van de collectieve lasten niet een verhoging van de uitgaven. Ruimte voor verlaging van collectieve lasten, ook in economisch moeilijke tijden, wordt gecreeerd door begrotingstekorten terug te dringen in tijden van economische groei. Daarnaast moet de aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt verbeterd worden. Bovendien moeten sociale voorzieningen zo worden ingericht dat werkzoekenden gestimuleerd en geholpen worden bij het vinden van werk.

Douma voert aan dat een uitgavenimpuls effect zou sorteren in Euroland, omdat de Europese economie relatief gesloten is. De extra middelen van de overheid zouden dus niet weglekken naar het buitenland. Dat is een wel erg statisch wereldbeeld. Het feit dat in het recente verleden relatief weinig geimporteerd werd biedt geen garanties voor de toekomst. Bij lage koersen van de yen (en in mindere mate de dollar) wordt het weer aantrekkelijker om meer te gaan importeren. Veel Europese bedrijven hebben nu immers al last van prijsconcurrentie uit Azie.

Ongetwijfeld speelt de wens tot een grotere rol van de overheid in de economie een rol bij de roep om een bestedingsimpuls. Als dat niet lukt in Nederland, dan maar via Europa.