Deportaties

“Rotterdam wordt in de toekomst het centrum van de Europese drugshandel.” Deze voorspelling deed de Rotterdamse hoofdcommissaris van politie Sirks in 1928. In dat jaar kreeg de Rotterdamse politie een afdeling opiumrecherche, die in de zes jaar daarna honderd arrestaties verrichtte wegens handel in opium. Een keer werd zelfs een partij van honderd kilo opium in de haven aangetroffen. De scene was destijds Katendrecht, het schiereiland tussen Rijn- en Maashaven.

Katendrecht was in de jaren twintig en dertig bekend als China Town het grootste in Europa. Duizend en meer werkloze Chinese zeelieden, de meesten afkomstig uit Hongkong en Kanton, woonden er in de grootste armoede, soms met vijftien man in een kamer. Ze hadden gevaren, meestal als stokers en tremmers, op Nederlandse en buitenlandse schepen en werden na aankomst in Rotterdam afgemonsterd - of `gedumpt', zoals H.J.J. Wubben in zijn boek Lotgevallen van de Chinezen in Nederland 1920-1940 schrijft. Op Katendrecht, in bittere armoede, uitgebuit door (Chinese) bemiddelaars wachtten ze op een baan op een schip om terug te keren. Opium en gokken waren hun enige troost.

In 1931, toen de krach van Wall Street tot de wereldwijde economische crisis had geleid, trokken de Chinezen van Katendrecht het land in. Met de verkoop van zelfgemaakte pindakoekjes probeerden ze de kost te verdienen. Het verschijnen van de `pinda-Chinezen' in de straten leidde tot een probleem: ze waren niet welkom en twee jaar later werd een ventverbod afgekondigd. In 1931 vroeg de `Chineesche Vereeniging in Nederland' koninklijke goedkeuring. Minister van Justitie Donner wees het verzoek af. Op het document waarin het besluit werd meegedeeld, maakte een onbekende naast de handtekening van de minister de volgende aantekening: “Als een volk zijn nationaal gevoel verliest, dan worden zijn vrouwen misbruikt door Chineezen en ander Aziatische ongedierte.”

In 1934 kreeg de Rotterdamse politie een nieuwe hoofdcommissaris, mr. L. Einthoven, een oud-Indischman, die zich voornam een eind te maken aan het Chinezenprobleem. Hij belegde eerst een voorlichtingsavond in Katendrecht waar hij de Chinezen voorhield dat ze in Nederland welkom waren mits ze zich aan enkele regels hielden.

De belangrijkste waren: `geen opium verkopen aan niet-Chinezen' en `elkaar niet doodslaan'. Het bezit van twee gram opium voor persoonlijke consumptie werd getolereerd - gedogen is een oude traditie.

Niet bekend

In 1939 telde de Rotterdamse politie op Katendrecht nog 209 Chinezen. Nu is er nog maar een (goed) Chinees restaurant. De herinnering aan opium (twee gram per persoon) en de deportatie van `Aziatisch ongedierte' is vervlogen. Dat Rotterdam toch zoals politiecommissaris Sirks voorspelde, een centrum van Europese drugshandel is geworden, is een ander verhaal.