De monsterachtige clowns van Dirk Tanghe

Voorstelling: De Burgermansbruiloft, van Bertolt Brecht, door de Paardenkathedraal. Regie: Dirk Tanghe; decor: Bart Clement; licht: Uri Rapaport; kostuums: Mirjam Pater. Spel: Paula Bangels, Arthur Roffelsen Peter De Graef, Henk Elich, Herman Bolten, Harriet Stroet, Mirjam Hegger Michael Pas, Thomas de Bres, Louis van Beek. Gezien: 27/11 Stadsschouwburg, Utrecht. Tournee t/m 7/3; Inl.(030) 271 14 14.

Ze trouwen op z'n Tirools, met jodelmuziek en voor haar een te korte dirndl. Dit is de bruiloft van Jacob en Maria, een bruiloft die gezellig moet zijn en goedkoop, dus vindt het feestje thuis plaats, in de woning van het jonge stel. Moeder kookt: er zijn maar weinig gasten en zo is de familie onder elkaar. En toch ook weer niet. Want Dirk Tanghe maakt van Brechts Burgermansbruiloft een massaal spektakel, een show voor een bomvolle zaal die door de demagogische feestneuzen op de buhne wordt verleid tot klappen en joelen en meedoen.

De huiskamer waarin we naarbinnen kijken is reuzegroot gemonteerd als een attractie op de kermis. De trappen, verhogingen en stellages op de achtergrond baden in een roze licht en ook de meubels op de voorgrond zijn roze. Behalve groot is het decor van Bart Clement ook vol, op het benauwde af. Tussen de tafels en stoelen en kasten is amper genoeg plaats om te dansen, maar gedanst zal er worden, net zoals er moppen dienen te worden getapt en sketches opgevoerd en liedjes gezongen. Terwijl de vader van de bruid de moppen voor zijn rekening neemt zorgt een huisvriend met een mond vol gouden tanden voor de rest van het animatieprogramma en alles loopt gesmeerd. Totdat de eigenhandig door de bruidegom vervaardigde meubels krakend in elkaar storten. Dan verandert het toneel in een puinhoop waarop de feestgangers als vandalen tekeer gaan. En het prille huwelijk strandt.

In 1919 had de jonge Bertolt Brecht nog de nadrukkelijke bedoeling om met zijn farce de burgers van zijn Beierse heimatstadje Augsburg te choqueren. De katholieke huwelijksmoraal moest op de helling. Nu kijkt er niemand meer op van een zwangere bruid; nu is er niemand meer maagd voor het huwelijk en het heeft geen zin meer om tegen de reeds beursgetrapte katholieke bekrompenheidscult aan te schoppen. Dat doet Dirk Tanghe dan ook niet: zijn belangstelling gaat uit naar het kleine leed van kleine mensen, naar de manier waarop zij elkaar kwetsen en voor joker zetten en uitsluiten en ontmoedigen en vernederen, naar de manier waarop zij hun wonden likken en de beest uithangen zodra de gelegenheid daar is.

Dat is al duizendmaal eerder in het theater getoond maar nog niet eerder zoals hier. De poppen in Tanghes poppenkast zijn zieliggriezeliggroteske wezens: gugugugugug lachen zij, met tot grimassen verstarde gezichten en met schouders die mechanisch schokken.

Brecht was dol op de volkskomiek Karl Valentin en Tanghe blaast de clowneske kanten van Brechts personages op tot monsterachtige proporties. Een mannetje balanceert op een te korte ladder om bij een te hoog opgehangen peertje te komen; een vrouwtje klimt op een metershoge tafel waarop zij kolossale taarten met een slagroomspuit bewerkt. Dat vrouwtje is de slovende moeder die zich steeds in haar kookhoek terugtrekt omdat ze niets met de mensheid te maken wil hebben: een prachtige rol van Peter De Graef.

Soms dreigt de voorstelling melig te worden: het steenkolenduits dat men brabbelt is wat al te grappig - een condoom bijvoorbeeld heet hier lullenmutze - en niet alle gags zijn geweldig. Maar net zoals Tanghe in De wereldverbeteraar de ingetogenheid consequent volhield, zo is hij hier consequent in de overdrijving, en even hardnekkig onder de absurde groteske is de alledaagse treurigheid.