Bezinning over defensie is nodig

De Nederlandse krijgsmacht bevindt zich aan de vooravond van ingrijpende veranderingen die vragen om collectieve bezinning door burgers en militairen, meent Jan van der Meulen. De minister van Defensie moet echter wel gedurfde beslissingen nemen om een legitimiteitscrisis binnen de krijgsmacht te vermijden.

Dreigt de krijgsmacht voorgoed kopje onder te gaan als uitkomst van een breed maatschappelijk debat, zoals VVD-fractieleider Dijkstal vreest? En moeten we daarom maar liever helemaal niet discussieren? Wie de publieke opinie een beetje kent weet dat een dergelijke teneur er helemaal niet in zit. Niet het verdwijnen van de militaire organisatie is in het geding maar zijn veranderende betekenis. Dat is ingrijpend en ingewikkeld genoeg en wie een legitimiteitscrisis wil vermijden mag best wat energie stoppen in collectieve bezinning.

In alledaags Nederland, zo weten we uit ervaring en uit onderzoek, wordt militaire defensie een stuk minder belangrijk gevonden dan gezondheidszorg, misdaadbestrijding, onderwijs sociale zekerheid, en nog wat andere preoccupaties van de hedendaagse samenleving. De prioriteit van dergelijke beleidsterreinen wordt door de meeste mensen ook als sterkste argument gezien om op de krijgsmacht te bezuinigen. Dat laatste kon al voor de verkiezingen rekenen op de instemming van de meerderheid van de bevolking.

Wie hier een klassieke reflex signaleert, heeft niet helemaal ongelijk. Ook ten tijde van de Koude Oorlog was het vaak verleidelijk om je voor te stellen hoeveel bejaardenzorg er uit een gevechtsvliegtuig gaat, laat staan uit een heel squadron. Hoeveel kleiner zouden de klassen in het basisonderwijs kunnen worden gemaakt voor de prijs van een een paar onderzeeers? Maar het is een misverstand te denken dat er slechts sprake is van de normale kortzichtigheid van het dagelijks leven. Hedendaagse sociaal-economische processen en sociaal-culturele-patronen zijn een verbinding aangegaan met het einde van de Koude Oorlog, die de maatschappelijke positie van de krijgsmacht een historische wending geeft.

Weliswaar ging dat einde van de Koude Oorlog in het Westen niet of nauwelijks gepaard met bevrijdingsfeesten. Er hoefde ook geen wederopbouw plaats te vinden want er was niks kapot. Maar indirect en onderhuids wordt de overwinning wel degelijk en nog steeds gevierd: als de definitieve ontketening van het goede leven in duizend-en-een stijlen. Dat post-moderne project heeft met een term van de Britse socioloog Martin Shaw, bij uitstek ook een post-militair karakter. De paradox is dat in een dergelijke samenleving de krijgsmacht zoals we die kenden onherroepelijk marginaliseert, maar dat de publieke opinie, die zoveel anders aan haar hoofd heeft, stabiel en haast verrassend positief blijft in haar oordeel. Tegelijkertijd zet het publiek, zoekend en wel, nieuwe marges uit waarin land-, lucht- en zeemachten zullen moeten opereren.

In de tweede helft van de jaren tachtig nam het aantal mensen dat de krijgsmacht noodzakelijk vond geleidelijk af. Het had zo'n 25 jaar (zolang de vraag gesteld werd) rond de 80 procent gelegen, en daalde toen richting 60 procent. Een onmiskenbaar Gorbatsjov-effect, dat echter ongedaan werd gemaakt door de Golfoorlog. Momenteel is rond de 70 procent van de bevolking voorstander van de krijgsmacht, met dien verstande dat een deel van de Nederlanders met het antwoord `noodzakelijk kwaad' een ethische slag om de arm houdt.

In beginsel worden vredeshandhaving crisisbeheersing en humanitaire hulpverlening door verreweg de meeste mensen als de belangrijkste militaire taken beschouwd. Belangrijker dan de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Maar in feite zijn die begrippen helemaal niet uitgekristalliseerd. Verdediging klinkt te ouderwets, crisisbeheersing te academisch, vredeshandhaving en hulpverlening te sympathiek.

Met nog wat andere woorden erbij interventie en oorlog bijvoorbeeld, ligt spraakverwarring op de loer.

Maar voor zover we menen te begrijpen waar we het over hebben, is er onmiskenbaar een dubbele trend: weg van de klassieke taak als prioriteit en steun voor deelname aan `nieuwe' militaire missies. Zelfs Srebrenica heeft dat niet veranderd en er zou ook zeker steun te vinden zijn voor krachtdadig optreden in of rond Kosovo. Een bombardement op Irak, kan vast op applaus rekenen, overigens veel sterker van mannen dan van vrouwen, want vrouwen zijn een stuk terughoudender over het gebruik van militair geweld dan mannen. Al met al is het opmerkelijk genoeg hoe snel op de oude zekerheid van de krijgsmacht als noodzaak nieuwe verwachtingen zijn gebouwd over de bruikbaarheid van militaire middelen. Let wel, de populariteit van vredeshandhaving is allerminst een typisch trekje van gidsland Nederland, maar wordt ook elders aangetroffen. Alleen zolang de `body-bags' uitblijven.

Nederlands onderzoek terzake bevestigt wat in Amerika veel uitgebreider is vastgesteld: het publiek verdraagt wel tot op zekere hoogte de pijn van slachtoffers onder de eigen soldaten. Zolang er een glashelder politiek doel is dat met haalbare militaire middelen wordt nagestreefd kan er een draagvlak bestaan voor riskante interventies. Halfslachtig optreden zonder zicht op succes (UNPROFOR in Bosnie) of geimproviseerd spierballenvertoon (de Amerikanen in Somalie) dat militairen het leven kost, wordt echter niet geaccepteerd. Er kan nooit voorspeld worden hoeveel doden en gewonden de publieke opinie aanvaardbaar vindt. Van missie tot missie taxeert zij doelen en middelen vormt zij zich een beeld van betekenis en verloop en laat zij de mate van consensus onder politieke en militaire elite op zich inwerken.

Calculerende burgers dus. Godzijdank kan het eindelijk.

De historicus Michael Howard vraagt zich af hoe het publiek tegenwoordig zou reageren wanneer tijdens een of ander conflict soldaten zouden omkomen op de schaal van een dag Tweede Wereldoorlog. De socioloog J.A.A. van Doorn wijst er op dat ten tijde van het Nederlands-Indonesisch conflict soms tientalllen militairen in een week sneuvelden zonder protest aan het thuisfront. De suggestie dat we inmiddels aan morele spankracht hebben verloren ligt er dik bovenop in dergelijke vergelijkingen, maar is op de keper beschouwd misplaatst. De afstand tussen de dienstplichtige massalegers die de oorlogen van de twintigste eeuw voerden en de politiele beroepslegers die de crises van de komende decennia moeten dempen is enorm. De veranderde rekrutering weerspiegelt een veranderde internationale dreiging, een veranderd maatschappelijk draagvlak en een veranderde militaire technologie. Calculatie en minimalisering van risico's in deze context is logisch, gewenst en revolutionair. De schaduwzijde is intussen evident: voorzichtigheid die tot verlamming leidt. Maar dat effect doet zich eerder voor als gevolg van een patstelling tussen militair advies en politieke besluitvorming, dan als weekhartigheid van de publieke opinie.

De afgelopen dertig jaar werd twee keer eerder een legitimiteitscrisis rond de krijgsmacht uitgeroepen eerst met de dienstplichtigen en de vermaatschappelijking in het middelpunt, daarna vanwege de kernwapens en de afschrikking. Laten we daarom nog maar even wachten om de derde crisis af te kondigen, en in plaats daarvan proberen de reikwijdte te schatten van de veranderingen die we meemaken. De gevolgen van informatie- en communicatietechnologie voor de krijgsmacht worden wel aangeduid als een revolution in military affairs.

Met evenveel recht kan worden gesproken van een gelijktijdige civiel-militaire revolutie in Amerika is die uitdrukking al gevallen. Daarbij gaat het om een complex en ingrijpend proces, juist omdat de oorzaken ook te maken hebben met de hedendaagse samenleving in het algemeen.

Dat revolutionaire proces vraagt om collectieve bezinning, door burgers en militairen. Zo'n debat mag best een georganiseerd zetje meekrijgen. De publieke opinie, toch al door de wol geverfd door officiele debatten over kernenergie en kennis, is er niet eens cynisch over. Het is echter een illusie te denken dat de veranderingen binnen een kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd en dat het vervolgens heel lang rustig zal blijven. De legitimiteitssprong die we aan het maken zijn zal decennia vergen. Blijft het, zonder echte reflectie en gedurfde beslissingen, allemaal steken in bureaucratisch gemanoeuvreer over geld en grootte, dan loopt het gegarandeerd toch nog op een crisis uit.