Aftakeling

`Denk je dat ze er de hele tijd aan denken, of maar bijna de hele tijd?' vraagt Keith (29) aan zijn generatiegenoot Trevor in Kingsley Amis' onvergetelijke roman Ending up. Zoals wel vaker bij Amis, twijfelt de lezer even waarover het gaat. Seks? Maar de situatie is duidelijk. Het tweetal is met bijbehorende gezinnetjes kerstmis aan het vieren bij zijn grootouders. Waar die aan denken, dat moet wel de dood zijn.

`Misschien valt dat nogal mee', antwoordt Trevor, al plassend, want het onderonsje vindt plaats in de badkamer. Een gedachte waar je voortdurend mee leeft wordt, zegt hij, eerder een soort ruis op de achtergrond. Op de achtergrond? Op de voorgrond zul je bedoelen, denkt de ander, zoals vliegtuigherrie voor wie twintig meter naast de startbaan woont, en dan komt het nog dichterbij ook.

Het is een bijzonder kerstfeest in het oude villaatje waar vijf bejaarden in diverse stadia van aftakeling bij elkaar wonen. Walging en gêne, verveling en sadisme strijden om de hoofdrol, en het loopt niet goed af. Het leven op zijn ergst — maar hilarisch beschreven.

De enige overeenkomst tussen Ending up en het pas verschenen boekje van Cri Stellweg, Iedereen is tegenwoordig jonger dan ik, is het onderwerp.

Stellwegs boekje zag ik toevallig kort na een gesprek met mijn vriendinnen Iet en Helen, van wie de laatste, verontwaardigd en opgetogen tegelijk, riep dat iemand dáárover toch eens een boek moest schrijven. Waarover? Over hoe het is om oud te worden. Oud tout court, of nog beter, oud als vrouw. Vanaf het moment rond je 25ste dat je een smal groefje ontdekt, ergens tussen je neus en je mondhoek, tot het bittere einde.

En dan geen detail sparen, riep zij vol vuur, niks verzwijgen. Yvonne K. heeft al genoteerd hoe je op een dag merkt wat je gezicht doet als je voorover buigt, dank zij een spiegel die plat op tafel ligt. Het gaat hangen, je eigen, eens zo strakke gezicht! En nog veel ergere dingen; hoe je niet meer kunt hollen of niezen als je niet pas naar de plee bent geweest, omdat er anders ongelukjes gebeuren.

`Er is nog iets wat je dan niet kunt', zei Iet fijntjes. `Maar daar schrijf je toch geen boek over?'

We kwamen er niet uit. Helen dacht dat het fantastisch zou zijn om dat mensonterende proces nu eens breed uit te meten want je leest er nooit over, en het overkomt toch iedereen. Iet wierp tegen dat er voldoende medische handboeken zijn, en dat je het kalen, het rimpelen, het verslappen en vergeten trouwens overal om je heen ziet. Mensen lezen liever iets leuks.

Dat laatste was zeker de overtuiging van Kingsley Amis, die ik een keer heb opgezocht. Hij was bejaard op zijn achtenzestigste met een hoogrode kleur en opgezette voeten in pantoffels. Hij had net opnieuw een roman geschreven over oude mensen; veel milder dit keer, misschien omdat hij inmiddels een van hen was. Het echte drama was in dit boek weggelegd voor een jong personage. (De jeugd als drama, de ouderdom als farce, daarvoor is ook wel iets te zeggen.)

Cri Stellweg kun je niet verwijten dat zij niet in de buurt komt van de Engelse meester. Maar haar boekje beantwoordt evenmin, zoals wij even dachten, aan Helens ideeën. Het is vaag en vriendelijk, met af en toe een uitval naar bejaarden die iets anders doen dan de schrijfster zelf: lompe crèmekleurige schoenen met gaatjes dragen, of krulletjes in hun dunne haar laten zetten. Bovendien staat het vol jeugdherinneringen, iets dat nu juist niet thuishoort in een boekje over hoe het is om oud te worden.

Het zal mij benieuwen of dat boek van Helen ooit nog geschreven wordt, de afrekening-door-ontleding met de ouderdom. De stapsgewijze beschrijving van hoe een mooie vrouw een onaanzienlijk oudje wordt. Misschien is het al geschreven, wat weet ik ervan? Maar een ding is zeker: er moet een goede schrijver aan te pas komen wil het een mooi boek worden — en niet noodzakelijkerwijs een bejaarde of een vrouw.