104 staat niet graag in zijn blote togus

Dit is de tiende aflevering van een serie over opvallende sportploegen.

Hij speelt met rugnummer 104. 104? Ja, zegt Hein van Hees, speler van het eerste van DSHC, de Delftsche Studenten Hockey Club. “Wij tellen door. Daar zijn wij dertien jaar geleden mee begonnen. Iemand krijgt een eigen nummer zodra hij als basisspeler aan een wedstrijd begint. Dat blijft zijn nummer, ook als hij eenmaal is gestopt. We zijn nu bij 121.”

In de beginjaren van het `doortellen' moest een debutant van DSHC per jaar ook net zoveel glazen jenever drinken als het nummer op zijn shirt. Inmiddels is daar meegestopt. Volgens Van Hees omdat er met het hoger worden van de rugnummers “weleens ongelukjes gebeurden” als gevolg van overmatig jenever-gebruik.

Een traditie die nog altijd stand houdt, is het uitroepen van de Man of the Match. Deze speler krijgt na afloop van een wedstrijd een onderbroek uitgereikt van de vorige Man of the Match. Vervolgens moet de onderbroek - in de kantine of de societeit - aangetrokken worden. Een paar weken terug was Van Hees de man van de wedstrijd. “Best een eer”, zegt hij. De onderbroek had hij overigens snel aan, want “zo leuk is het nou ook weer niet om daar in je blote togus te staan”.

DSHC komt uit in de Overgangsklasse. Dit seizoen doen de studenten het zo goed, dat promotie naar de hoogste klasse mogelijk is. Volgens Van Hees zijn de opvallende prestaties het gevolg van de “bijna professionele” wijze waarop hij en zijn collega's bezig zijn. Zo trainen ze drie keer per week en wordt er op zaterdagavond niet meer gedronken. “Dat hebben we een paar jaar geleden afgesproken. We realiseerden ons dat wanneer we iets wilden bereiken, het zuipen op de avond voor de wedstrijd moest ophouden.”