Vliegende Panters zingen over Hitler met fijn orkestje

Voorstelling: Hype, door de Vliegende Panters. Regie: Ruut Weissman. Gezien: 27/11 in Nieuwe de la Mar-theater, Amsterdam. Tournee t/m 15/5. Inl. (020) 6231555.

“Hitler, was dat nou nodig?' is de eerste regel van het liedje waarmee de nieuwe voorstelling van de Vliegende Panters begint. Ze zingen het op een eentonig ritme, voortgebracht door zo'n toetsenbord waarmee feestorkestjes de boer op gaan, met bijbehorende zachte g's en met het onnozele engagement van derderangs-artiesten die menen dat gedurende hun optreden toch ook de ernstige noot niet mag ontbreken. Ook hun naam is passend: het trio de Turbo Twins. En jawel, de tweede regel eindigt netjes rijmend op 'overbodig'.

In die openingsscene van Hype is al veel verenigd van de kwaliteiten waarmee de Vliegende Panters in 1996 overrompelend debuteerden: hun weergaloze talent voor parodieen die het geparodieerde genre niet alleen razendknap treffen, maar het ook in het extreme trekken zonder een moment de geloofwaardigheid op het spel te zetten. Natuurlijk zou zo'n banaal trio voor bruiloften en partijen nooit een liedje over Hitler zingen, maar als de Vliegende Panters het doen, ga je geloven dat het zou kunnen. Net als in een ander nummer uit deze voorstelling: een formidabel stukje Nederpop-kitsch dat tot in het kernwoord ('tong-zoen') wemelt van de verkeerd geplaatste klemtonen.

Rutger de Bekker, Diederik Ebbinge en Remko Vrijdag, voormalige klasgenoten uit de Kleinkunstakademie die met de voorstelling Sex al na een seizoen van de kleine zalen naar de middelgrote konden overstappen, spelen in hun tweede programma drie young executives, knap in het pak, die blijkbaar iets met marketing te maken hebben. “We kruipen in de huid van die doelgroep', roepen ze elkaar op stoere toon toe, om daarmee het uitgangspunt te creeren voor een compacte reeks scenes uit het moderne leven, die geraffineerd in elkaar overgaan en voortdurend onvoorspelbaar zijn. Tot de grootste verrassingen behoren, wat mij betreft, een driekoppige persiflage op de pathetische zang van Freek de Jonge, een tot in de puntjes verzorgd nummertje vocaal cabaret van ouderwetse snit (“Iedereen heeft geld, maar God, waar blijft de tijd?'), een Surinaamse rap en een Amerikaanse prediker met zijn tolk - al tot in den treure eerder vertoond, maar nog nooit zo vakkundig en spannend als hier.

Als twintigers zijn de Vliegende Panters snel gehaaid en brutaal.

Het heeft iets paradoxaals hen in een traditie te plaatsen. En toch passen ze daarin. De klassieke rol van het cabaret is het doorprikken van alles wat is opgeblazen. Zij doen dat ook, maar ze geven er tegelijk zo'n nieuwe wending aan dat er niets traditioneels meer aan is - zelfs niet aan het aloude Sonneveld-succes Het dorp waarvan ik nooit had vermoed dat het als gesyncopeerd slotnummer zo kon swingen.