Vleugels uit de archipel; TAXONOMEN STARTEN MET FAUNA MALESIANA

De Maleise archipel is een paradijs voor Nederlandse taxonomen. Na de flora wordt nu ook de fauna van het gebied beschreven. Deze week verscheen het eerste boek, over tweevleugeligen.

Achteraf gezien kunnen biologen van geluk spreken dat landen met een gematigd klimaat de tropen hebben gekoloniseerd en niet andersom - van de uitgebreide verzamelingen planten en dieren die nu in herbaria en zoologische musea staan opgeslagen, zou weinig meer over zijn. In een vochtig en warm klimaat maken schimmels en vraatinsecten korte metten met opgezette dieren en gedroogde planten. Gelukkig dus maar dat nog steeds een groot deel van de biologische rijkdom van Indonesie in Leiden Amsterdam en Wageningen is bewaard.

Afgelopen maandag werd in het nieuwe Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden officieel het eerste handboek van de Fauna Malesiana aangeboden aan vertegenwoordigers van de Indonesische ambassadeur en de Indonesische Academie van Wetenschappen (LIPI). De Fauna Malesiana, een internationaal initiatief met als belangrijkste deelnemers Nederland en Indonesie, moet een langlopende serie handboeken en veldgidsen opleveren die van praktische waarde zijn voor het hele Maleisische gebied: het Maleisisch schiereiland, Indonesie, de Filippijnen en Nieuw Guinea. Hierbinnen is Indonesie veruit het belangrijkste land.

De Maleise archipel heeft een bijzonder rijke fauna. Schattingen varieren tussen 10 tot 20 procent van het aantal soorten ter wereld, afhankelijk van de diergroep. De vogels en de zoogdieren zijn redelijk in kaart gebracht maar bij de andere diergroepen, in het bijzonder de insecten, is men pas begonnen met een eerste inventarisatie. Het eerste handboek, The Families of Diptera of the Malay Archipelago, geschreven door de Amsterdamse entomoloog dr. Pjotr Oosterbroek, gaat alleen over de 115 vliegen- en muggenfamilies in de Maleise archipel - niet over de duizenden geslachten, laat staan over de tienduizenden soorten.

Vliegen en muggen (Diptera, tweevleugeligen) vormen een zeer grote en lastig in te delen diergroep, zelfs op familieniveau. Ze omvatten nogal wat soorten die ziekten kunnen overbrengen, bijvoorbeeld malaria, maar er zijn ook soorten die juist plagen beperken doordat ze de veroorzakers kort houden. Voor bestrijding van schadelijke Diptera (of juist bescherming van nuttige) is een eerste voorwaarde om de soort te kennen - iedere soort heeft nu eenmaal zijn eigen specifieke kenmerken en eigenschappen.

In Nederland zijn van de meeste insectengroepen beschrijvingen tot op soortsniveau beschikbaar, maar in het Maleisische gebied is dat vooralsnog een ijdele wens. Het eerste handboek van de Fauna Malesiana met uitgebreide verwijzingen naar bestaande literatuur, vormt een nuttig begin. Voor een beginnend land is het van onschatbare waarde als een erkend specialist de bestaande literatuur volledig in kaart brengt en een begrijpelijke sleutel tot de diergroepen samenstelt.

De Fauna Malesiana is een voortvloeisel uit de overeenkomst die minister Ritzen in 1992 met Indonesie sloot over de intensivering van de culturele en wetenschappelijke contacten van beide landen. In Nederland is een halve eeuw na de onafhankelijkheid van Indonesie nog steeds zeer veel kennis over het gebied voorhanden, vooral op het terrein van plant- en dierkunde. Een voorloper van deze samenwerking was de oceanografische expeditie Snellius II, waarmee beide landen eind jaren tachtig een klassieke expeditie in de Bandazee nog eens overdeden, maar dan met de modernste technieken.

Naast de handboeken, die vooral van wetenschappelijke betekenis zijn, zullen onder auspicien van de Fauna Malesiana ook praktische veldgidsen verschijnen.

Sterker nog, er is er al een verschenen: de Guide to the Land Snails of Bali van de Leidse taxonoom dr. Jaap Vermeulen en de Amerikaan Tony Whitten. Ook CD-Roms zullen verschijnen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de kennis van ETI het Expertisecentrum voor Taxonomische Identificaties, een Unesco-instituut gevestigd binnen de muren van het Zoologisch Museum van Amsterdam. Voorzitter van de Foundation Fauna Malesiana, dr. Jan Krikken benadrukt dat de boeken vooral praktisch nut moeten hebben: 'Ze zijn bedoeld voor kenners en voor leken, bijvoorbeeld voor douane-ambtenaren en parkwachters. Het is niet de bedoeling dat de schrijvers van de handboeken er hun levenswerk van maken. We streven naar toch minstens twee uitgaven per jaar.'

Terwijl de Foundation Fauna Malesiana nog maar enkele jaren het licht ziet, bestaat de Flora Malesiana al vijftig jaar. De beschrijving van de flora van het Maleise gebied is de hoofdtaak van het Leidse Rijksherbarium. In die halve eeuw is dan ook zeer veel werk verzet. Maar die beschrijving is nog lang niet klaar, men is pas op eenvijfde. Prof.dr. Pieter Baas, directeur van het Rijksherbarium, vindt dat het wel wat sneller kan: 'In het verleden streefden de onderzoekers naar volledigheid van de beschreven plantengeslachten. Maar dat houdt verschrikkelijk op en het blijkt in de praktijk ook helemaal niet haalbaar - er worden toch weer steeds nieuwe soorten ontdekt. We willen het nu ook wat praktischer aanpakken.'

PROSEA

Uiterst praktisch is het Nederlands-Indonesisch samenwerkingsproject PROSEA, Plant Resourses of South East Asia. In dit hoofdzakelijk Wageningse initiatief worden alle gebruiksaspecten van Indische cultuurgewassen beschreven.

De voortgang van het project is indrukwekkend en de praktische waarde voor Indonesie kan moeilijk onderschat worden.

In Indonesie zelf begint de taxonomie langzamerhand ook van de grond te komen. De zoologische verzamelingen in Bogor zijn onlangs overgebracht naar Cibinong, dat wat dichter bij Jakarta ligt. Het koele, in de bergen gelegen Bogor had een goed klimaat voor het bewaren van collecties. Krikken: 'Cibinong is een stuk warmer en vochtiger. Maar het is een modern museum, gebouwd van Japans geld. Met de tegenwoordige klimaatsbeheersing kun je ook in de tropen een zoologische collectie beheren.'