Toenemende eigen zorg voor nabestaanden

Tot 1 juli 1996 bestond de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW), die voor een basisvoorziening voor weduwen- en wezen zorgde; later konden ook weduwnaars gebruik maken van de regeling. In de jaren voor 1996 is veel discussie geweest over de wijziging van deze wet. Op 1 juli 1996 is de Algemene Weduwen- en Wezenwet vervangen door de Algemene Nabestaandenwet (ANW). Het deelnemen van steeds meer vrouwen aan het arbeidsproces en het samenleven zonder huwelijk werden als belangrijkste redenen gehanteerd.

De vraag is hoe algemeen deze Algemene Nabestaandenwet nog wel is. In principe is de kring van rechthebbenden uitgebreid tot mensen die ongehuwd samenleven. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als beide partners in dezelfde huishouding wonen en voor elkaar zorgen; de gelijkstelling met gehuwden geldt niet als een ouder samenwoont met een kind. Het samenwonen kan door middel van een samenlevingscontract of door registratie bij een uitvoeringsorgaan aangetoond worden.

Echter op langere termijn wordt de voorziening in feite grotendeels opgeheven door de bepaling dat rechthebbenden voor 1950 geboren moeten zijn. De uitkering krachtens de ANW geldt namelijk tot de leeftijd van 65 jaar. In 2015 is iedereen geboren in of voor 1950 inmiddels 65 jaar.

De ANW betekent een versobering in vergelijking met de AWW omdat alleen de volgende groepen in aanmerking voor uitkering komen: zij die geboren zijn voor 1950, zij die een kind onder 18 jaar in hun huishouden verzorgen, zij die tenminste 45 procent arbeidsongeschikt of zwanger zijn en mensen die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956, van wie de echtgenoot overlijdt voor 1 juli 1999 en die tevens op 1 juli 1996 al gehuwd waren met die echtgenoot.

Dit laatste betekent dat de groep geboren tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956 het recht op nabestaandenuitkering behoudt als het jongste kind 18 jaar wordt. Met name het feit dat de echtgenoot in deze situatie moet overlijden voor 1 juli 1999 werd als zeer schrijnend beschouwd. Daarom is een paar maanden geleden het besluit gepubliceerd dat onder voorwaarden een nabestaandenverzekering bij de Sociale Verzekeringsbank gesloten kan worden. Als iemand binnen de leeftijdsgroep als onverzekerbaar wordt beschouwd en voor het overige voldoet aan de voorwaarden van de ANW, moet deze voor 1 april 1999 een aanmeldingsformulier inleveren bij de Sociale Verzekeringsbank.

Een onverzekerbare echtgenoot is hij of zij die door een verzekeraar voor een overlijdensrisicoverzekering geweigerd wordt of slechts geaccepteerd wordt tegen een premie die minstens 2,5 keer hoger is dan de premie die gerekend wordt voor iemand van dezelfde leeftijd die gezond is.

Tegelijk met het aanmeldingsformulier moet een 'mededeling van onverzekerbaarheid' van een verzekeraar aan de Sociale Verzekeringsbank overgelegd worden. Vervolgens ontvangen de echtgenoten een beschikking van de Sociale Verzekeringsbank. Zowel de onverzekerbare echtgenoot als de andere echtgenoot kan de verzekering sluiten op het leven van de onverzekerbare echtgenoot.

De premie wordt geheven vanaf 1 juli 1999 en bedraagt 100 gulden per maand. De hoogte van de premie wordt jaarlijks aangepast. Deze aanpassing voor een beperkte groep in een beperkte leeftijdscategorie geldt alleen voor gehuwden. Dit wijkt dus af van kring van gerechtigden onder de ANW.

Voor de nagelaten partner geldt, behalve de genoemde algemene eisen om in aanmerking te komen voor een nabestaandenuitkering dat er naar de hoogte van diens eigen inkomen gekeken wordt. De uitkering bedraagt 70 procent van het minimumloon, eventueel aangevuld tot 90 procent als er recht op een 'halfwezenuitkering' bestaat. In tegenstelling tot de oude regeling voorziet de ANW in een halfwezenuitkering. Dit betekent dat de ouder of verzorger van een ongehuwde halve wees onder 18 jaar, die tot zijn of haar huishouden behoort een uitkering krijgt van 20 procent van het minimumloon. Deze uitkering wordt ongeacht het aantal kinderen eenmaal verstrekt. In tegenstelling tot de uitkering van de nagelaten partner is de halfwezenuitkering inkomensonafhankelijk.

Onder eigen inkomen wordt inkomen uit arbeid of inkomen in verband met arbeid verstaan. Inkomen uit arbeid is het salaris uit loondienst of de winst uit onderneming van de nabestaande. Inkomen in verband met arbeid komt voort uit uitkeringen als vervroegd pensioen, VUT, WW of WAO van de nabestaande.

Inkomen in verband met arbeid wordt geheel op de ANW-uitkering gekort. Voor inkomen uit loondienst of winst uit onderneming geldt een beperkte vrijlatingregeling. In deze gevallen wordt 50 procent van het minimumloon vrijgelaten en een derde deel van het meerdere. Bij een inkomen van ongeveer 3.850 gulden bruto of meer vervalt de nabestaandenregeling voor de partner geheel. Overigens behoudt de partner wel het recht op uitkering; dit houdt in dat de uitkering hersteld wordt als het inkomen uit arbeid van de partner daalt of wegvalt, onder voorbehoud van de algemene voorwaarden.

Inkomsten uit vermogen, het vermogen zelf en particuliere nabestaandenpensioenen worden niet op de uitkering gekort. Zo kan het dus gebeuren dat een partner met twee studerende kinderen boven 18 jaar met een eigen inkomen van 4.200 gulden bruto per maand geen nabestaandenuitkering ontvangt. Een nabestaande zonder eigen inkomen daarentegen, die twee kinderen onder 18 jaar heeft en die een zeer fors vermogen bezit, ontvangt wel een nabestaandenuitkering.

De nabestaandenuitkering eindigt als de nabestaande 65 jaar wordt; vanaf dat moment bestaat er recht op AOW. Als de nabestaande hertrouwt of gaat samenwonen vervalt de uitkering en als de samenwoning aantoonbaar binnen zes maanden weer eindigt, herleeft deze nabestaandenuitkering. De uitkering eindigt ook als het jongste kind 18 jaar wordt, tenzij de nabestaande voor 1950 of tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956 geboren is, van wie de echtgenoot voor 1 juli 1999 overleden is.

In sommige gevallen kan een ex-echtgenoot recht hebben op een nabestaandenuitkering als de vroegere partner overlijdt. De voorwaarde is daarbij dat de ex-echtgenoot tot de groep van rechthebbenden behoort en dat deze door het overlijden van de vroeger echtgenoot inkomsten uit alimentatie mist. De uitkering zal in deze gevallen nooit hoger zijn dan de alimentatie was. Deze regeling geldt alleen voor mensen die gehuwd geweest zijn.

Het financiele risico van inkomensderving voor nabestaanden is afhankelijk van verschillende factoren, zoals gezinssamenstelling, leeftijd, inkomen en vermogen. Het zal niet voor iedereen nodig zijn zelf aanvullende voorzieningen te verzorgen. De ANW zal lang niet in alle gevallen tot een uitkering zal leiden. Jonge mensen zullen steeds meer zelf de verantwoordelijkheid moeten dragen voor het inkomen van hun nabestaanden.