Opa was loodbrander

Een jaar of wat geleden bleken er in de IJsselstraat in Velp nog mensen te leven die mijn familie hadden gekend. Iemand vertelde toen dat mijn grootvader in 1952 bij hem een vaste wastafel had geinstalleerd.

Dan herinner ik me een man met een trillende stem en trillende handen, die de reputatie van dit soort handigheid genoot. Een man met een werkbank met bankschroef in de kelder. Een man die, ondanks zijn grillige temperament, het geduld kon opbrengen om dingen zelf te repareren en weer in elkaar te zetten. Een man met gevoel voor motoren, en voor avontuur. Zoals mijn moeder nog weet dat hij zijn gezin in een T-Ford laadde om naar Eerbeek te rijden, zo weet ik nog dat hij me achterop zijn bromfiets zette om naar Herwijnen te rijden - een van de eerste bromfietsen in ons land.

Zwaar hartpatient toen al. Ik zat achterop voortdurend in angst dat hij dood zou omvallen.

En als mijn moeder vertelt dat er eens middenin de nacht werd aangebeld, en dat ze een man voor de deur zag staan, en dat ze niet durfde opendoen omdat ze dacht dat die kwam zeggen dat mijn vader gesneuveld was, maar dat het iemand van de AKU was die haar vader kwam halen omdat er malheur was met de machines - dan zegt dat niet alleen iets over de angsten van mijn moeder en het verblijf van mijn vader in Indie, maar ook over de druk waaronder mijn grootvader zijn vak uitoefende.

Na de lagere school de fabriek in. Hij schijnt koperslager te zijn geworden. In ieder geval is hij in 1918, 25 jaar oud bij de ENKA begonnen. Er is een zilveren horloge in de familie met de jaartallen 1918-1943.

ENKA of AKU, nu eens zus, dan weer zo. Ik bedoel de kunstzijdefabriek aan de Vosdijk in Arnhem. In die tijd ging een stad prat op zijn industrie. Wie daar anders over dacht, had het beslist met mijn grootvader aan de stok gekregen. 'De AKU was zijn lust en zijn leven', zegt mijn vader. 'Er was er maar een die op de AKU mocht schelden, en dat was hijzelf.'

Toch heeft hij herhaaldelijk geprobeerd zich te verzelfstandigen. Een verhuisbedrijf, een fietsenzaak een cafe - soms in plaats van de AKU, soms naast de AKU. En ze woonden ook naast de AKU. Het was mijn grootmoeder die daar weg wou. Ze schreef haar hoofdpijn toe aan de AKU-lucht. Daarom zijn ze naar Velp verhuisd - en de AKU-lucht is berucht gebleven. Toen ik in 1966 bij het Arnhemse Vrije Volk kwam, gold nog steeds: als je helemaal niks meer weet, kun je altijd nog over de AKU beginnen. “De AKU wordt stinkend rijk.'

Opa was loodbrander.

Ik heb geen idee wat ik me daarbij moet voorstellen.

Nu zegt iedereen in de familie dat er maar zes mannen waren die dat konden. Zes mannen op de hele wereld? In heel Nederland? Bij de AKU, neem ik aan. Toen er een ENKA-bedrijf in Emmen werd gesticht ging mijn grootvader daarheen om loodbranders te instrueren.

Nu zegt mijn tante dat ze een keer naar de fabriek moest om haar vader iets te brengen en dat hij toen tot haar blijvende verbazing een witte overall bleek aan te hebben.

Nu zegt mijn oom dat hij autogeen lood kon lassen, en dan vermeldt het woordenboek onder autogeen: lassen en snijden zonder lasmiddel, met behulp van autogene branders die een buitengewoon hete steekvlam geven.

Nu zegt mijn moeder dat het buitengewoon ongezond werk was. 'Het bedrijf gaf hem twee liter melk per dag en dan kocht Vader er zelf nog een fles bij.' Bovendien liep hij de hele dag op een soort tabak te kauwen, volgens de een omdat je niet mocht roken op het werk, volgens de ander om te voorkomen dat je de tanden uit de mond vielen.

Dat zegt wel iets. Al die leidingen, al die ketels dat hectische. Typisch wederopbouwwerk.

Maar als je me vraagt: weet je nu wat je grootvader deed? - nee, dat niet.

Tegenwoordig is het allemaal AKZO-Nobel. De poort zou mijn grootvader nog wel weten te vinden maar daarachter zou hij al gauw aan het dwalen slaan. Alles veranderd. De kantoren hoger dan ooit, de parkeerplaatsen groter dan ooit, en ongetwijfeld wordt er meer dan ooit verdiend, maar gemaakt wordt er helemaal niets meer op dit terrein.

Goed, daar hebben ze een archief en in dat archief ligt een fotoalbum en in dat album zitten foto's van de AKU in mei '45. Een ruine, bladzij na bladzij.

Ik neem deze beelden in mij op en opeens: de loodbranderij met opgeslagen glaswerk. Dat ziet eruit als een schoollokaal waar een troep muitende matrozen doorheen is getrokken. Helemaal achteraan, onder het weggeslagen plafond en een naar binnen gekanteld raamkozijn, staat een werkbank.

De volgende foto toont een detail uit deze ruimte, namelijk het gereedschapsbord. Let wel, dit bord is leeg; de Duitsers hebben alles meegenomen. Maar de gereedschappen die er horen te hangen, en die er weldra ook weer zullen hangen, zijn er in silhouet op afgebeeld. Mij komt deze loodbrandersplattegrond vreselijk archaisch voor. Die bizar gevormde tangen en zagen - net een chirurgijnsinstrumentarium. Maar ik betwijfel geen moment dat mijn grootvader op dit bord blindelings de weg heeft geweten.

Uit een andere hoek van het AKU-archief komt nog een foto te voorschijn. Loodbrander aan het werk - het bekleden van een ketel met een loodmantel.

Je ziet een man in een ketel zitten, een staafbrander in de aanslag, een klont lood tussen zijn voeten. Dit is een opname van 1957, mijn grootvader kan het niet zijn.

Toch herken ik hem. Ik herken hem aan de opgerolde mouwen van zijn overall. Nee ik herken hem aan het klotje op zijn hoofd. Mijn grootvader had altijd zo'n klotje op. Een ander zou het misschien een alpinopetje noemen, maar zo noemen wij het niet.

Nou, dat is 'm dan, mijn grootvader de loodbrander.

Vervolgens ga ik op zoek naar zijn naam in de Spindop. Dat is ook zoiets. Uit mijzelf was ik daar nooit op gekomen. Maar het zit wel degelijk in je geheugen; er hoeft maar een zuchtje wind overheen te gaan of het beweegt. De Spindop, natuurlijk! Het wekelijkse personeelsblad, een zacht vuurtje onder het gemeenschapsgevoel, de AKU-spirit.

Berichten uit 1946: de distributie van fietsbanden, de verhuur van overalls op weekbasis, de verstrekking van warme maaltijden uit eigen keuken, regelingen inzake de eigen busdienst en de eigen schoenmakerij. Die zomer doet de leiding een klemmend beroep op het personeel om niet te verzuimen ter wille van de kersenpluk. In de Betuwse boomgaarden worden weliswaar ongekend hoge lonen betaald, maar dat is iets tijdelijks, terwijl 'onze fabrieken over honderd jaar nog werk en brood zullen verschaffen aan ons nageslacht'.

De kunstzijdefabriek, in 1911 gesticht, zou de boomgaarden niet zo lang overleven. Op 6 juli 1976 ging ze dicht.

En de naam van mijn grootvader? Nergens. Wat eerlijk gezegd ook te verwachten was. Hij was er de man niet naar om zich verkiesbaar te stellen voor een commissie of het woord te voeren op een bijeenkomst. Hij was niet iemand voor de ENKA-Harmonie het ENKA-Toneelgezelschap, de AKU-bridgeclub of het AKU-cabaret.

Dus pas in de Spindop van 7 januari 1955: 'Op 27 december jongstleden overleed plotseling onze collega KOBUS HUTGENS. Hij was voor ons een prettige collega; zijn nagedachtenis zal bij ons in hoge ere blijven Loodbranderij TA.'