Op economie in 1999 rust zware hypotheek

AMSTERDAM, 28 NOV. Cijfers over het derde kwartaal toonden donderdag de omslag in de Nederlandse conjunctuur. Hoe sterk de terugval wordt hangt niet alleen af van het buitenland. De consument speelt de hoofdrol, en met hem de waarde van zijn onderpand: het eigen huis.

Spot de consument met de zwaartekracht? Ondanks een forse beurscorrectie in augustus en september en een navenant dalende stemming onder de consumenten, bereikten de consumptieve bestedingen van huishoudens in het derde kwartaal van dit jaar een recordhoogte. De bestedingen namen toe met liefst 4,8 procent ten opzichte van vorig jaar en aan duurzame artikelen werd een duizelingwekkende 11 procent meer gespendeerd.

Daarmee namen de consumentenbestedingen, die 60 procent van het bruto binnenlands product (bbp) uitmaken, 85 procent van de groei van dat bbp voor hun rekening. Die economische groei bedroeg 3,4 procent op jaarbasis in het derde kwartaal. Dat is minder dan de 4,3 procent groei die de Nederlandse economie in het eerste halfjaar nog liet noteren. Het derde kwartaal zal daarmee de geschiedenis ingaan als het moment waarop de Nederlandse conjunctuur ten kwade keerde.

De prognoses zijn eenduidig: in navolging van de consensus onder de banken, heeft het Centraal Planbureau (CPB) zijn raming voor de economische groei in 1999 neerwaarts bijgesteld van 3 procent naar 2,25 procent.

De vertraging in het derde kwartaal heeft al consequenties voor de economische groei in geheel 1998. Om op de 4 procent groei uit te komen die het CPB voor 1998 verwacht, zal de economie in het nu lopende, vierde kwartaal met een volle 4 procent moeten groeien. Dat past niet in het beeld van de aflopende conjunctuur. Als het een beetje meezit, en de groei neemt licht af tot 3 procent in het vierde kwartaal, dan komt geheel 1998 op 3,75 procent. Dat was ook de oorspronkelijk CPB-prognose, die afgelopen zomer - naar het nu lijkt ten onrechte - met een kwartje werd opgehoogd.

Al in het derde kwartaal had het buitenland een nadelige invloed op de Nederlandse economie. Uit CBS-cijfers bleek donderdag al dat de industriesector, die sterk luistert naar de exportmarkt, zich in feite al in een beginnende recessie bevindt. Maar de - vooral binnenlands gerichte - dienstensector, verreweg de grootste component van de bedrijvigheid, gaat nog volle kracht vooruit. Kennelijk is het binnenlands momentum van de economie nog groot.

Waar komen de enorme consumptieve bestedingen in het derde kwartaal vandaan? Een van de weinige verklaringen die hout snijden is dat de rente juist toen fors is gedaald en woningprijzen zijn blijven stijgen. Terwijl de aandelenkoersen in augustus en september kelderden, vluchtten beleggers massaal in obligaties. Hoe hoger de koers van een obligatie, hoe lager de effectieve rente. Omdat de effectieve rente op obligaties bepalend is voor de hypotheekrente, daalde ook die rente sterk. Tot op het laagste peil in bijna 40 jaar.

De vastgoedbranche zelf, en ook het gros van de economisch analisten, gaan er al geruime tijd van uit dat aan de nu al zeven jaar durende prijshausse op de woningmarkt eens een eind moet komen. Die voorspelling was er ook voor 1998. Maar vooral door de gunstige rente is de prijsstijging van woningen in de loop van dit jaar wederom versneld, tot 7,7 procent in het derde kwartaal. Ruw geschat nam de totale waarde van het eigen woningbezit daarmee op jaarbasis met zo'n 60 miljard toe. Tegelijkertijd werd in dat kwartaal ook voor een record van 60 miljard gulden aan hypotheken afgesloten. De helft daarvan betrof het oversluiten van bestaande hypotheken tegen een lagere rente, en tweede hypotheken die de gestegen waarde van het eigen huis omzetten in contant geld.

De bijbehorende bestedingsimpuls moet niet worden onderschat. De structureel hogere huizenprijzen, die sinds 1992 met tweederde in prijs zijn gestegen, zijn in Europa een typisch Nederlands fenomeen - op Ierland na. Ze verklaren, in aanvulling op de sterke werkgelegenheidsgroei, al jarenlang de bovenmatige groei van de consumptieve uitgaven en daarmee de uitzonderlijk goede prestaties van de economie.

Nu zijn het in de meeste modellen voor 1999 juist de consumptieve bestedingen die de economische groei op peil moeten houden. Hamvraag voor 1999 is dus of de al vaak voorspelde afvlakking van de stijging van de huizenprijzen optreedt, en als dat het geval is, niet te hevig wordt. Want zoals stijgende huizenprijzen de afgelopen jaren een opwaartse spiraal hebben veroorzaakt, zo kunnen dalende huizenprijzen tot een neerwaartse spiraal leiden.

Houden de huizenprijzen stand? Ruimtelijke ordening speelt daar een rol bij, maar werkt traag door. Een directer effect is te verwachten van de werkgelegenheidsontwikkeling, die bepaalt hoeveel mensen er aan de vraagkant van de woningmarkt blijven opereren, alsmede de ontwikkeling van de inkomens, die uitmaakt hoeveel meer er aan de koopwoning kan worden besteed. En uiteraard de hypotheekrente, die bepaalt hoe hoog het hypotheekbedrag is dat op dat inkomen kan worden geleend.

Juist omdat de consumptieve bestedingen de strohalm zijn waar de Nederlandse economie zich in 1999 aan vastgrijpt is het dus te hopen dat de woningmarkt zich goed houdt onder de voor het eerst sinds 1992 verslechterende conjunctuur. Op de economische groei voor 1999 rust zo een zware hypotheek.