Met handboor en cement; TANDHEELKUNDIGE TECHNIEK TOEGESPITST OP ONTWIKKELINGSLANDEN

Literatuur: Frencken JE, e.a. Three-year survival of one-surface ART restorations and glass-ionomer sealants in a school oral health programme in Zimbabwe. Caries Res 1998;32:119-126. In de meeste ontwikkelingslanden ontbreekt adequate tandheelkundige zorg. De art-methode kan dat hiaat opvullen. De tandarts gaat aan de slag met eenvoudig gereedschap en een gemakkelijk te verwerken cement.

TANDHEELKUNDIGE ZORG in ontwikkelingslanden is een onderwerp dat in het algemeen in de literatuur weinig aandacht krijgt. De vraag is echter of die geringe belangstelling wel terecht is. Immers gebitsziekten in die streken vormen een serieus probleem, met name omdat deze aandoeningen daar net als bij ons veel voorkomen en door westerse voedingsgewoonten snel lijken toe te nemen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) erkent dit probleem, maar kan in feite weinig doen om het op te lossen. Adequate zorg ontbreekt vaak, vooral omdat de kosten van zorg groot zijn, mankracht is dikwijls niet aanwezig en de benodige apparatuur is veelal niet te gebruiken omdat de daarvoor noodzakelijke elektriciteit niet kan worden geleverd.

Toch is de situatie, in tegenstelling tot zo'n kwart eeuw geleden, beslist niet hopeloos. Door de toegenomen kennis op het gebied van de preventie en de materiaalkunde ziet men in diverse ontwikkelingslanden interessante projecten ontstaan waarin ook Nederlandse tandartsen een belangrijke rol spelen. Een daarvan is het ART-project. ART betekent Atraumatic Restorative Treatment, een procedure gericht op het behandelen van tandbederf waarbij men zonder boor (wat een vooruitzicht voor veel mensen) maar met handinstrumentarium gaatjes in gebitselementen prepareert en die vervolgens met een glasionomeercement vult. Dit gemakkelijk te verwerken materiaal wordt al zo'n twintig jaar in Nederlandse praktijken gebruikt, ondermeer voor het vastzetten van kronen en bruggen, voor het maken van onderlagen onder definitieve vullingen en voor het vullen van gaatjes in het melkgebit. Wanneer men stoffen als aluminiumsilicaat-glaspoeder met polycarboxylzuur mengt vindt verharding tot cement plaats doordat het zuur calcium en aluminium-ionen vrijmaakt en er acrylzuurketens ontstaan.

Vervolgens gaat het cement door het vullen van het gaatje, een hechte chemische binding aan met het aanwezige tandglazuur en de minerale bestanddelen in het tandbeen. Door de aanwezigheid van fluoride in het materiaal heeft het ook een preventieve werking omdat het, gedurende de aanwezigheid ervan in een gebitselement, langzaam fluoride aan het tandmateriaal afgeeft zodat een gebitselement beter bestand wordt tegen het ontstaan van tandbederf. Het belang van de ART-methode is, naast de relatief geringe belasting voor de patient, gelegen in het feit dat een tandarts meestal weinig, door caries aangetast, materiaal behoeft te verwijderen. Dat is een groot voordeel omdat men met andere vulmethoden vaak eerst ook gezond tandweefsel moet opofferen om voldoende houvast te creeren voor de aan te brengen vulling. Een nadeel is echter dat dit type cement mechanisch nogal wat kwalen heeft, met name door de brosheid ontstaan er nog al eens breuken.

Midden jaren tachtig werden in Tanzania de eerste onderzoeken gedaan met de ART-methode. Op basis van deze ervaringen startte men in 1991, in een provincie van Thailand, met een experiment waarbij men een groep kinderen in tweeen deelde en de twee groepen later met elkaar vergeleek. Bij de eerste groep werden eenvoudige amalgaamvullingen in de gebitten van de kindermonden aangebracht waarbij men met vervoerbare boormachines werkte. In de andere groep werden vergelijkbare vullingen in de kindergebitten aangebracht maar nu met behulp van de ART-methode. Na drie jaar bleek dat ongeveer 85 procent van de amalgaamvullingen nog intact was en 77 procent van de cementvullingen. De onderzoekers veronderstelden dat vooral de materiaaleigenschappen van het cement de oorzaak waren van het verschil.

Op basis van deze ervaringen werden in 1993 en 1994 in Zimbabwe experimenten opgezet waarbij men andere, beter ontwikkelde glasionomeercementen gebruikte en eenvoudige vullingen vervaardigde in de blijvende kiezen. Nu bleek dat ongeveer 85 procent van de vullingen na drie jaar nog in goede conditie was. Vooral de vaardigheid van de operateur leek bepalend voor het resultaat. Voorts bleek dat de studies in de eerst genoemde landen, en een uit Pakistan uitwezen dat de kinderen in het algemeen weinig problemen hadden met de behandeling en eveneens weinig over napijn klaagden.

Deze experimenten zijn veelbelovend voor de tandheelkundige zorgverlening in de ontwikkelingslanden omdat de kosten van de zorg laag zijn en met relatief eenvoudig opgeleide hulpkrachten kan worden gewerkt. De onderzoeken kunnen echter ook van belang zijn voor de gebitszorg in de geindustrialiseerde wereld. Immers het grote aantal zeer angstige mensen voor tandheelkundige behandelingen, met name wanneer de boor daarbij een rol speelt, kunnen profiteren van de resultaten van deze onderzoeken. Maar ook mensen in instellingen voor geinstitutionaliseerde bejaarden of geestelijk gehandicapten zouden baat kunnen hebben bij deze relatief eenvoudige manier voor het behandelen van tandbederf omdat zij daarvoor niet in een tandartskamer aanwezig hoeven zijn.

    • M.A.J. Eijkman