Matamata en Pilipili

Matamata & Pilipili, zondag, Ned.3, 0.24-1.20u.

Let niet op de deftige praatjes van de commentaarstem, als de VPRO zondagnacht de documentaire Matamata & Pilipili uitzendt, want die vallen in het niet bij de zwart-wit-filmpjes die een verbazingwekkende wereld oproepen van goedmoedig kolonialisme. Ze werden gemaakt in de late jaren veertig en vroege jaren vijftig, en belandden daarna in een opslagplaats in Leuven waar het materiaal pas kortgeleden werd teruggevonden door de Belgische filmer Tristan Bourlard.

Bourlard vertelt het verhaal van het rijke roomse leven waaruit de missiepater Albert van Haelst voortkwam, die zijn zegenrijke arbeid in Belgisch Congo wist uit te bouwen tot een ware filmfabriek. Hij maakte zelf de filmpjes, en zijn firma Lulua Films verzorgde de distributie en projectie - bijvoorbeeld door een doek tussen twee palen te spannen om een dorpsplein vol publiek prettig bezig te houden.

In circa twintig van zijn films werden de hoofdrollen gespeeld door Matamata en Pilipili twee mannen die nooit met hun echte naam op de aftiteling stonden. Blijkbaar vond Van Haelst dat hij ze al rijkelijk genoeg beloonde: als employes van Lulua Films ontvingen ze twee keer zo veel salaris als de andere werknemers.

Matamata was de dikke van het stel een kinderlijk ogende hansworst die steeds in zeven sloten tegelijk liep en verder bij zijn vrouw op koddige wijze onder de plak zat. Zo te zien was Pilipili de verstandigste, al komt zijn rol minder pregnant naar voren. In elk geval waren ze samen de Dikke en de Dunne van de Congo minstens zo populair als Laurel & Hardy elders op de wereld.

Van Haelst, die zich in de vele fragmenten trouwens een meer dan competent amateurfilmer betoont, liet deze twee opdraven als helden in een onschuldig soort slapstick-avonturen waarvan de boodschap alleen in details doorschemert. Zoals de taalles op een schoolbord die vanzelfsprekend in het Frans is gesteld: je suis, tu es, il est. Maar de hedendaagse Zairese jongeren die op de filmpjes reageren, bekennen dat ze er nog steeds aardigheid in hebben.