KINDERPALEIZEN ONDER SLOPERSHAMER

ACHTER DE TWEE gele schoolgebouwen heeft de kaalslag al angstwekkende vormen aangenomen. In het hart van de Utrechtse wijk Zuilen is een grote vlakte ontstaan. Huizen zijn gesloopt, negentig procent van groen is verwijderd, vrachtwagens rijden af en aan over zandheuvels. Bulldozers zijn de twee monumentale schooltjes al gevaarlijk dicht genaderd. Als het aan de gemeente Utrecht en de projectontwikkelaars ligt, gaan ze allebei tegen de vlakte om plaats te maken voor een groot winkelcentrum dat Zuilen moet afhelpen van zijn slechte imago.

Afgelopen najaar vertrokken de laatste leerlingen uit de oorspronkelijke Max Euweschool en de Prinses Marijkeschool, later samen verder gegaan als de Cirkelschool. In de hal van de voormalige Prinses Marijkeschool hangen nog kindertekeningen, maar in een aangrenzend lokaal zijn waslijnen gespannen waar nu de t-shirts te drogen hangen. Boven branden tl-buizen en hebben de tijdelijke kraakwachten de kale muren verlevendigd met oude landkaarten die blijkbaar zijn ontkomen aan de verhuizing. In de Max Euweschool hebben kunstenaars voor zo lang als het duurt hun ateliers ingericht. Het resterende groen kruipt welig tegen de ramen op en heeft veel weg van een kleinschalig oerwoud.

Het buurtcomité Wallesteinlaan en omstreken voert al vier jaar een taaie strijd voor het behoud van de twee gele schooltjes. Maar gemeente en projectontwikkelaars zien het architectonisch belang en de schoonheid er niet van in. Ze beschouwen ze vooral als lastige obstakels. Jurist Kaai Hanhart, secretaris van het buurtcomité, werd november 1995 gealarmeerd toen hij een glossy kleurenfolder in zijn brievenbus vond, waarin gemeente en projectontwikkelaars de plannen presenteerden die Zuilen moesten redden van achteruitgang en gettovorming. Hanhart schreef een briefje naar de gemeente waarin hij beleefd verzocht de beide scholen, die zo karakteristiek zijn voor deze naoorlogse wederopbouwbuurt, te sparen. Het leek hem een vanzelfsprekende zaak, want wie een wijk op wil knappen is toch voor het behoud van het goede. ''Dat was heel naïef', concludeert hij nu. Aanvankelijk hadden de twee schoolgebouwen vooral zijn sympathie, maar allengs kwam hij erachter dat het fraaie voorbeelden waren van de zogenoemde halschool, die de Zuilense gemeentearchitect W.C. van Hoorn begin jaren vijftig veel faam in binnen-en buitenland hadden bezorgd. Er waren in die tijd veel nieuwe scholen nodig om de naoorlogse geboortegolf op te vangen, maar er was weinig geld. Gymnastieklokalen mochten daarom niet gebouwd worden. Van Hoorn bedacht het concept van de halschool, dat in het hele land en zelfs tot in België navolging vond. De grote, hoge hal, met aan weerszijden lokalen over twee verdiepingen, kon dienst doen als gymnastieklokaal en gemeenschapsruimte voor leerlingen en buurtgenoten. De bewoners van de toen nog levendige Zuilense gemeente, roemrucht door zijn voetbalclub Elinkwijk, hadden een rijk sociaal en cultureel leven en ze gebruikten deze ruimtes veelvuldig voor buurtevenementen.

'Ik werd op de architectonische waarde van de scholen gewezen door een buurtgenoot, die me in contact bracht met de weduwe van architect Van Hoorn', vertelt Hanhart. 'In plakboeken had zij een grote verzameling foto's en knipsels bewaard over de scholen en een flink aantal andere bouwwerken van haar man in Zuilen. Compleet met krantenartikelen en dankbrieven van bezoekers die deze 'glazen kinderpaleizen' waren komen bezichtigen.' Vanaf dat moment wist Hanhart dat het niet alleen om twee sympathieke schoolgebouwtjes ging, maar dat het gave voorbeelden waren van wederopbouw-architectuur. Op alle mogelijke manieren heeft de bewonersgroep geprobeerd deze 'parels' te behouden voor de buurt. Maar langzamerhand zijn alle middelen uitgeput.

Hanhart: 'De gemeente heeft haar huid duur verkocht aan de projectontwikkelaars die ogenblikkelijk met schadeclaims dreigen. De belangen zijn gigantisch. Inspraak blijkt dan een tamelijk zinloze aangelegenheid. Het officiële inspraakorgaan van de wijk is gewoon belazerd, de plannen waren allang klaar.' Hij heeft het intussen allemaal van nabij meegemaakt. Verloren rechtszaken, alternatieve plannen, bezwaarschriften en gemeenteraadsfracties die eventjes voor het behoud van de gele schooltjes waren, maar plots van standpunt veranderden onder druk van de wethouder. Die was op zijn beurt niet opgewassen tegen de macht van de projectontwikkelaars en die wierpen zich weer op als de redders van een verloederde wijk. Het geheel werd gereduceerd tot een 'bedrijfsongeval'.

De bewonersgroep schakelde de Rijksdienst voor Monumentenzorg en de Utrechtse commissie voor welstand en monumenten in. Monumentenzorg concludeert in januari van dit jaar in zijn rapport: 'De dubbele school is cultuurhistorisch van bijzondere waarde als Nederlands eerste voorbeeld van de halschool als gebouwtype. Architectonisch zijn de scholen van belang als gaaf voorbeeld van bijzondere bebouwing uit de Wederopbouwperiode. (...) De architectonische en bouwkundige gaafheid getuigen van het goede nog immer werkende concept van het gebouw.' Omdat de gebouwen nog net geen vijftig jaar oud zijn, kunnen ze echter niet op de monumentenlijst worden geplaatst.

Een paar maanden geleden adviseerde de (onafhankelijke) commissie voor welstand en monumenten aan burgemeester en wethouders van Utrecht de twee schoolgebouwtjes op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten en bovendien bij volgende wijkvernieuwingen eerder te kijken of er geen bijzondere gebouwen onder de slopershamer sneuvelen. Het mocht allemaal niet baten. B. van Santen, bouwhistorica van de sector monumenten van de gemeente Utrecht, vond zelfs dat de cultuur-historische waarde van de beide scholen nogal wordt overdreven. Half september zegt ze in het Utrechts Nieuwsblad over het type halschool: 'Zo'n school was inderdaad een experiment, maar er werd in die tijd continu geëxperimenteerd.' En intussen had de gemeente zichzelf, zonder er enige ruchtbaarheid aan te geven, in de zomervakantie een sloopvergunning voor de gele schooltjes verleend.

Tegen die gang van zaken heeft de bewonersgroep nu nog bezwaar aangetekend, maar de hoop dat ze daarmee de sloop kan voorkomen is tot dichtbij het nulpunt gedaald. 'Tenzij de gemeente ingrijpt', zegt Hanhart, 'maar dan zal ze ook in de buidel moeten tasten om de projectontwikkelaars te troosten.' Hanhart vindt het onbegrijpelijk dat mensen die de pretentie hebben een wijk op te knappen, dingen van waarde en kwaliteit die zo typerend zijn voor die wijk laten slopen. ''Ze denken dat de probleemjongeren en de onveiligheid op straat verdwijnen door een groot winkelcentrum te bouwen en de rest plat te gooien. Inderdaad, wij behartigen de zachte belangen, vergelijkbaar met iemand die opkomt voor het behoud van een bijzondere kikker in een bepaald bosje. Maar van een gemeente mag je verlangen dat ze àlle belangen in het oog houdt en haar cultureel erfgoed niet te grabbel gooit.'