In hoeken en kieren

Paardenbijters en mensentreiters, de veelpoters van Amsterdam. Martin Melchers, Martin Soesbergen en Geert Timmermans[red.] Uitg. Schuyt & Co 1998. Prijs f39,50. ISBN 90 6097 484 0.

KAKKERLAKKEN ZIJN misschien niet de populairste, maar wel de meest gehouden huisdieren van Amsterdam. Ze zijn er in soorten en maten. Zoals de huiskakkerlak (Supella longipalpa), een verrassende nieuwkomer, die pas sinds 1971 in de hoofdstad wordt gezien en waarschijnlijk is meegelift met huisraad van gastarbeiders uit Marokko. Wereldwijd is de van oorsprong Afrikaanse huiskakkerlak sterk in opmars. Pas in 1943 drong hij in Noord-Afrika door, tegenwoordig wordt hij in heel West-Europa aangetroffen en ook in de Verenigde Staten wint hij terrein. Zijn voorkeur gaat - anders dan die van andere Amsterdamse kakkerlakkensoorten - uit naar woningen, waar het bij de zoldering liefst een graad of 25 is. Het diertje is opmerkelijk lichtschuw en gemakkelijk te verwarren met de Duitse kakkerlak. Het voornaamste verschil is dat de Duitse kakkerlak twee bruine strepen midden op zijn borststuk heeft, en de huiskakkerlak een gesloten vlek.

Voor eenieder die het leuk vindt om de kakkerlakken in de badkamer of de pissebedden in de kelder zelf te determineren is Paardenbijters en mensentreiters, de veelpoters van Amsterdam een onmisbaar naslagwerkje. Het is het vierde in een veelbesproken reeks. Na zoogdieren, vissen, vogels en wilde planten zijn nu de 'veelpoters' ofwel insecten aan de beurt. Goedbeschouwd krioelt de stad van de kleine beestjes. In hoeken en kieren van gebouwen, onder stoeptegels, in het stadspark en langs de waterkant, tot in de keukenkastjes toe.

Zelfs het zeekleipissebedje is in Amsterdam present, zo blijkt uit de inventarisaties die van 1990 tot 1998 zijn uitgevoerd. Er zijn verspreidingsgegevens verzameld van pissebedden en miljoenpoten, vlinders en libellen, sprinkhanen, krekels, kakkerlakken en mieren in de hoofdstad.

De beestjes zijn door tientallen waarnemers per vierkante kilometer stad geinventariseerd. Daarvoor moest onder planken stenen en stronken worden gegluurd en met harkjes in de grond gekrabd. De verspreidingskaartjes zijn aangevuld met literatuurgegevens en jeugdherinneringen, limericken en wetenswaardigheden van het Internet bijvoorbeeld over de vraag waarom pissebedden op zwoele zomerochtenden zo massaal aan de wandel gaan. Het resultaat is een vrolijk boek.

Het kwam tot stand onder auspicien van het Adviesteam Milieu en Stadsecologie van de Amsterdamse dienst Ruimtelijke Ordening, waarvan auteur Martin Melchers deel uitmaakt. Omdat er zoveel keus was in ongewervelde dieren, hebben de schrijvers zich uiteindelijk beperkt tot negen groepen en andere, zoals spinnen, vliegen en muggen buiten beschouwing moeten laten.

In het voorwoord worden enkele kanttekeningen geplaatst bij de nauwkeurigheid van de kaartjes. Enerzijds zullen er 'opteleffecten' zijn opgetreden, vooral bij vliegende dieren die al snel in meer kilometerblokken tegelijk worden geteld. Anderzijds is er sprake van onvolledigheid omdat niet elke stoeptegel zal zijn gelicht. Vermoedelijk zullen opteleffecten en onvolledigheid elkaar compenseren.

Vooral langs de stadsranden zagen de schrijvers een opmerkelijke dynamiek. In tien jaar tijd zijn daar prachtige bloemrijke bermen verschenen en verdwenen. Er zijn poelen en waterpartijen ontstaan waar libellen gretig op af komen. Zo was 1997 een verrassend goed jaar voor de zwarte en geelvlek heidelibel. In 1996 werd de distelvlinder in alle 'kilometerblokken' massaal waargenomen, soms met dertig of veertig exemplaren bij elkaar op een struik. Een jaar later werden er de hele zomer in de hele stad maar tien distelvlinders gezien. 't Kan verkeren.